Het kastenstelsel in India
Wanneer men in Europa vraagt ‘hoe heet jij?’ zal deze persoon niets vertellen over zijn of haar achtergrond. Hij of zij zou zowel vuilnisman, burgemeester of sociaal werker kunnen zijn. Ook de achternaam geeft niets van de positie prijs.
In de Hindoeïstische cultuur in India ligt dit heel anders, daar zegt het antwoord veel meer. De naam van een persoon vertelt daar net heel veel van zijn of haar achtergrond. Bij verschillende kasten horen verschillende achternamen. Wanneer een persoon daar zijn naam vertelt, weet men vrijwel meteen waar die persoon vandaan komst, tot welke kaste hij behoort en daarmee ook wel beroep hij waarschijnlijk uitoefent. Mensen vragen dit vooral om te weten of deze persoon hoger of lager is dan hij of zij.
Het kastensysteem gaat terug naar 3000 jaar geleden tijdens de Indusbeschaving. Steden waren toen opgedeeld in verschillende wijken waarin mensen woonden die eenzelfde ambacht uitoefenden. Wanneer kinderen geboren werden bij een bakker, gingen mensen er van uit dat het kind dit later ook zou doen. De levensweg van het kind lag dus bij de geboorte al gedeeltelijk vast. Het kastenstelsel wordt gekenmerkt door ongelijkheid. Ondanks deze ongelijkheid hebben ze toch tegelijkertijd een nauwe samenhang. Voor elke job bestaat er een aparte kaste of subkaste. De mensen van hogere kasten laten mensen van de laagste kaste niet verhongeren. Die zekerheid staat vast in deze samenleving. Daarnaast werkt dit natuurlijk ook een afhankelijkheidspatroon in de hand.
Het kastenstelsel bestaat uit vier hoofdkasten:
1. Brahmanen (priesters)
2. Kshatriyas (krijgers)
3. Vaisjas (handelaren en boeren)
4. Sjudras (handwerkslieden)
Naast deze 4 hoofdkasten zijn er ook nog een grote groep mensen die tot geen enkele kaste behoren: de kastelozen of de onaanraakbaren. Deze groep mensen zijn voornamelijk bezig met het maken van trommels voor talloze muziekkorpsen in de straat. Dit soort werk kan alleen maar door de kastelozen gedaan worden, omdat de vellen voor de trommels van koeienhuid gemaakt worden. Voor een vrome Hindoe is dat werk ondenkbaar. Koeien zijn in het Hindoeïstische
geloof immers heilig.
In het kastenstelsel zijn drie hindoebegrippen heilig:
1. Wedergeboorte:
In het Hindoeïsme geloof men dat men na de dood opnieuw geboren wordt. De ziel van de persoon komt in een ander gedaan terug op de aarde. Wanneer iemand heel goed geleefd heeft, komt de ziel telkens in een hogere kaste terecht om zo uiteindelijk te bevrijd te worden van het aardse leven en één te worden met God.
2. Karma:
Dit begrip geeft aan dat een Hindoe als resultaat van zijn daden in zijn voorgaande leven in een
bepaalde kaste geboren werd. Zo kun je geboren worden in een hogere kaste als de som van de goede en slechte daden van je vorig leven.
3. Dharma:
Dit begrip legt er de nadruk op dat de Hindoe zijn plaats in een bepaalde kaste zonder protest moet accepteren. Als je de gevestigde gewoontes, regels en plichten van je familie, kaste, sekse, beroep en leeftijd nakomt, leef je volgens de Dharme.
Wanneer men het kastenstelsel nu bekijkt is er duidelijk een onderscheid te maken tussen twee verschillende gebieden. Aan de ene kant staan de steden, aan de andere kant het platteland. Dit is zo omdat de steden een grotere ontwikkeling ondergaan hebben dan het platteland.
Bronnen:
Landelijke India werkgroep. (1984). India: Oogst van armoede.
Moore, Gilian., & Gestel, van, Jan. (1986). Bibliotheek der landen: India.
Nagarajan, V. (1997). Foundations of Hindu economic state.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten