donderdag 19 april 2012

Armenhuizen


De stichting van het eerste armenhuis dateert van in het jaar 1596. De was gelegen in Amsterdam en kreeg de naam ‘Rasphuis’. De term ‘armenhuis’ werd zonder onderscheid gebruikt voor een scala van instituties, van de minuscule Engelse plattelandsasielen in de achttiende eeuw tot het
gigantische Parijse Hôpital Général rond 1850. De term refereert meer aan de verwachtingen van de stichters dan aan de omstandigheden van de bewoners. De meeste armenhuizen werden bevolkt door mensen die om de een of andere reden voor onderdak of opsluiting in aanmerking kwamen: krankzinnigen, kleine criminelen, gemakzuchtige rijkeluiszoontjes die discipline nodig hadden, wezen, weduwen, bejaarden, zieken, invaliden enzovoort. De gezonde armen behoorden dan ook tot de minderheid. Dezen deden dan ook hun uiterste best om buiten het armenhuis te blijven, waardoor deze met de minst arbeidsongeschikten bleef zitten. In deze huizen speelden vooral gebed, godsdienstonderricht en tucht de voornaamste rol. De lichamelijk gezonde bedelaars en zwervers bleven liever buiten. Dit was nochtans het doelpubliek bij de opstart van de armenhuizen. De zwevers bleven liever op straat leven, want als ze toevlucht zochten tot het
armenhuis werden ze door de regenten gemeden gezien nauwlettend toezicht en strenge veiligheidsmaatregelen nodig waren om te verhinderen dat ze zouden ontsnappen.
Armenhuizen die in de instelling zelf productieve arbeid organiseerden, waren eerder een uitzondering dan een regel. Achteraf gezien is het niet verbazend dat deze instituties zo dikwijls de verwachtingen van hun stichters beschaamden. Dagelijks werden mensen binnen gebracht die het meest in nood waren en het minst tegen de opname verzetten, terwijl diegenen die het meest
geschikt waren om te werken liever buiten bleven en daar dan ook het grootste gevaar vormden. In de zeventiende eeuw zette de ene gemeente na de andere met hooggespannen verwachtingen een armenhuis op poten. Dezen waren een goed voorbeeld van ‘bewuste culturele diffusie’, van de weloverwogen overname van een project van de ene gemeenschap door andere: het Amsterdamse project werd overgenomen door gemeenten in Nederland, Wenen en Parijs en beïnvloedde op zijn beurt de Duitse, Nederlandse en Spaanse plannen.
Toen de Industriële revolutie eenmaal op gang was en de nationale regeringen in staat waren effectief toezicht te houden op de verbindingswegen en criminelen, bedelaars en vagebonden nauwkeurig te registreren, lukte het om ook gezonde armen te verwelkomen en tewerk te stellen. Toen leek het armenhuis al meer op een strafinrichting, een opvoedingsgesticht om beginnende en recidiverende leeglopers de discipline van de arbeid bij te brengen. De traditie van het armenhuis werd opgevolgd door velerlei gespecialiseerde instituties zoals weeshuizen, bejaardenhuizen, ziekenhuizen, tuchtscholen, krankzinnigengestichten, kraaminrichtingen en gevangenissen.
De verwachtingen dat werkloze armen tewerkgesteld konden worden in een zichzelf bekostigend systeem heeft grote gevolgen gehad. De methode leek een uitweg te bieden uit het dilemma van uitsluiting of ondersteuning dat de betrekkelijk autonome gemeenschappen in het moderne Europa tot dan toe verlamd had. Gezien de bedelaars en vagebonden terecht konden in het armenhuis, waren de gemeenten nu eerder ook genegen om aanzienlijke getallen van deze doelgroep toe te laten.
Uiteindelijk ontstond er een centrale macht met een internet samenhang en externe connecties om een beleid te ontwikkelen en voor het hele rijk toe te passen. De staat was bij machte het regionale en zelfs nationale karakter van de problemen als dat van de landloperij in te zien en een regeling uit te vaardigen die bedoeld was om de openbare veiligheid te waarborgen.

Bronnen:

www.dbnl.org/tekst

www.zeelandnet.net

Geen opmerkingen:

Een reactie posten