Reflectie
Toen ik de opdracht las, wist ik niet goed waar te beginnen. Vanzelfsprekend ben ik
dan begonnen met het boek ‘De zorg en de Staat’ van Abram de Swaan te lezen. Ik moet bekennen, makkelijk vond ik dit niet. Het boek is nogal ingewikkeld geschreven, naar mijn mening. Ook moest ik dikwijls woorden gaan opzoeken dewelke ik niet verstond.
Ik moet toegeven, geschiedenis en dergelijke zijn niet mijn favoriete vakken. Het boek vond ik wel oké, maar persoonlijk ook niet super interessant. Daarom was ik ook blij dat de opdracht een individuele inbreng vereiste. Zo kon ik mijn interessegebieden wat zelf kiezen, en heb ik zo zelf meer gehad aan de opdracht zelf.
Anderzijds vind ik dat het boek wel veel topics aanhaalt die het sociaal werk aanbelangen, zoals de verzorgingsstaat, sociale zekerheid, armenzorg, onderwijs enzoverder. Deze kennis van de geschiedenis van deze hoofdstukken kunnen zeker nog gebruikt worden in een ander vak of in het werkveld.
Eerlijker wijs ben ik veel te laat begonnen aan de opdracht. Ik wist niet echt hoe ik er moest aan beginnen, heb heel veel tijd gestoken in het lezen van het boek, aangezien ik het moeilijke literatuur vond. Uiteindelijk zal mijn opdracht toch nog op tijd klaar zijn, dit is het voornaamste.
Als laatste wil ik mij nog verontschuldigen voor de lay-out van de hoofdstukken, in de linker balk. Ik slaag er niet in om deze duidelijk horizontaal te plaatsen. Mijn excuses.
Verder wens ik u –hopelijk- veel leesplezier met mijn blog.
Els Decoodt
donderdag 19 april 2012
Het kastenstelsel in India
Wanneer men in Europa vraagt ‘hoe heet jij?’ zal deze persoon niets vertellen over zijn of haar achtergrond. Hij of zij zou zowel vuilnisman, burgemeester of sociaal werker kunnen zijn. Ook de achternaam geeft niets van de positie prijs.
In de Hindoeïstische cultuur in India ligt dit heel anders, daar zegt het antwoord veel meer. De naam van een persoon vertelt daar net heel veel van zijn of haar achtergrond. Bij verschillende kasten horen verschillende achternamen. Wanneer een persoon daar zijn naam vertelt, weet men vrijwel meteen waar die persoon vandaan komst, tot welke kaste hij behoort en daarmee ook wel beroep hij waarschijnlijk uitoefent. Mensen vragen dit vooral om te weten of deze persoon hoger of lager is dan hij of zij.
Het kastensysteem gaat terug naar 3000 jaar geleden tijdens de Indusbeschaving. Steden waren toen opgedeeld in verschillende wijken waarin mensen woonden die eenzelfde ambacht uitoefenden. Wanneer kinderen geboren werden bij een bakker, gingen mensen er van uit dat het kind dit later ook zou doen. De levensweg van het kind lag dus bij de geboorte al gedeeltelijk vast. Het kastenstelsel wordt gekenmerkt door ongelijkheid. Ondanks deze ongelijkheid hebben ze toch tegelijkertijd een nauwe samenhang. Voor elke job bestaat er een aparte kaste of subkaste. De mensen van hogere kasten laten mensen van de laagste kaste niet verhongeren. Die zekerheid staat vast in deze samenleving. Daarnaast werkt dit natuurlijk ook een afhankelijkheidspatroon in de hand.
Het kastenstelsel bestaat uit vier hoofdkasten:
1. Brahmanen (priesters)
2. Kshatriyas (krijgers)
3. Vaisjas (handelaren en boeren)
4. Sjudras (handwerkslieden)
Naast deze 4 hoofdkasten zijn er ook nog een grote groep mensen die tot geen enkele kaste behoren: de kastelozen of de onaanraakbaren. Deze groep mensen zijn voornamelijk bezig met het maken van trommels voor talloze muziekkorpsen in de straat. Dit soort werk kan alleen maar door de kastelozen gedaan worden, omdat de vellen voor de trommels van koeienhuid gemaakt worden. Voor een vrome Hindoe is dat werk ondenkbaar. Koeien zijn in het Hindoeïstische
geloof immers heilig.
In het kastenstelsel zijn drie hindoebegrippen heilig:
1. Wedergeboorte:
In het Hindoeïsme geloof men dat men na de dood opnieuw geboren wordt. De ziel van de persoon komt in een ander gedaan terug op de aarde. Wanneer iemand heel goed geleefd heeft, komt de ziel telkens in een hogere kaste terecht om zo uiteindelijk te bevrijd te worden van het aardse leven en één te worden met God.
2. Karma:
Dit begrip geeft aan dat een Hindoe als resultaat van zijn daden in zijn voorgaande leven in een
bepaalde kaste geboren werd. Zo kun je geboren worden in een hogere kaste als de som van de goede en slechte daden van je vorig leven.
3. Dharma:
Dit begrip legt er de nadruk op dat de Hindoe zijn plaats in een bepaalde kaste zonder protest moet accepteren. Als je de gevestigde gewoontes, regels en plichten van je familie, kaste, sekse, beroep en leeftijd nakomt, leef je volgens de Dharme.
Wanneer men het kastenstelsel nu bekijkt is er duidelijk een onderscheid te maken tussen twee verschillende gebieden. Aan de ene kant staan de steden, aan de andere kant het platteland. Dit is zo omdat de steden een grotere ontwikkeling ondergaan hebben dan het platteland.
Bronnen:
Landelijke India werkgroep. (1984). India: Oogst van armoede.
Moore, Gilian., & Gestel, van, Jan. (1986). Bibliotheek der landen: India.
Nagarajan, V. (1997). Foundations of Hindu economic state.
Wanneer men in Europa vraagt ‘hoe heet jij?’ zal deze persoon niets vertellen over zijn of haar achtergrond. Hij of zij zou zowel vuilnisman, burgemeester of sociaal werker kunnen zijn. Ook de achternaam geeft niets van de positie prijs.
In de Hindoeïstische cultuur in India ligt dit heel anders, daar zegt het antwoord veel meer. De naam van een persoon vertelt daar net heel veel van zijn of haar achtergrond. Bij verschillende kasten horen verschillende achternamen. Wanneer een persoon daar zijn naam vertelt, weet men vrijwel meteen waar die persoon vandaan komst, tot welke kaste hij behoort en daarmee ook wel beroep hij waarschijnlijk uitoefent. Mensen vragen dit vooral om te weten of deze persoon hoger of lager is dan hij of zij.
Het kastensysteem gaat terug naar 3000 jaar geleden tijdens de Indusbeschaving. Steden waren toen opgedeeld in verschillende wijken waarin mensen woonden die eenzelfde ambacht uitoefenden. Wanneer kinderen geboren werden bij een bakker, gingen mensen er van uit dat het kind dit later ook zou doen. De levensweg van het kind lag dus bij de geboorte al gedeeltelijk vast. Het kastenstelsel wordt gekenmerkt door ongelijkheid. Ondanks deze ongelijkheid hebben ze toch tegelijkertijd een nauwe samenhang. Voor elke job bestaat er een aparte kaste of subkaste. De mensen van hogere kasten laten mensen van de laagste kaste niet verhongeren. Die zekerheid staat vast in deze samenleving. Daarnaast werkt dit natuurlijk ook een afhankelijkheidspatroon in de hand.
Het kastenstelsel bestaat uit vier hoofdkasten:
1. Brahmanen (priesters)
2. Kshatriyas (krijgers)
3. Vaisjas (handelaren en boeren)
4. Sjudras (handwerkslieden)
Naast deze 4 hoofdkasten zijn er ook nog een grote groep mensen die tot geen enkele kaste behoren: de kastelozen of de onaanraakbaren. Deze groep mensen zijn voornamelijk bezig met het maken van trommels voor talloze muziekkorpsen in de straat. Dit soort werk kan alleen maar door de kastelozen gedaan worden, omdat de vellen voor de trommels van koeienhuid gemaakt worden. Voor een vrome Hindoe is dat werk ondenkbaar. Koeien zijn in het Hindoeïstische
geloof immers heilig.
In het kastenstelsel zijn drie hindoebegrippen heilig:
1. Wedergeboorte:
In het Hindoeïsme geloof men dat men na de dood opnieuw geboren wordt. De ziel van de persoon komt in een ander gedaan terug op de aarde. Wanneer iemand heel goed geleefd heeft, komt de ziel telkens in een hogere kaste terecht om zo uiteindelijk te bevrijd te worden van het aardse leven en één te worden met God.
2. Karma:
Dit begrip geeft aan dat een Hindoe als resultaat van zijn daden in zijn voorgaande leven in een
bepaalde kaste geboren werd. Zo kun je geboren worden in een hogere kaste als de som van de goede en slechte daden van je vorig leven.
3. Dharma:
Dit begrip legt er de nadruk op dat de Hindoe zijn plaats in een bepaalde kaste zonder protest moet accepteren. Als je de gevestigde gewoontes, regels en plichten van je familie, kaste, sekse, beroep en leeftijd nakomt, leef je volgens de Dharme.
Wanneer men het kastenstelsel nu bekijkt is er duidelijk een onderscheid te maken tussen twee verschillende gebieden. Aan de ene kant staan de steden, aan de andere kant het platteland. Dit is zo omdat de steden een grotere ontwikkeling ondergaan hebben dan het platteland.
Bronnen:
Landelijke India werkgroep. (1984). India: Oogst van armoede.
Moore, Gilian., & Gestel, van, Jan. (1986). Bibliotheek der landen: India.
Nagarajan, V. (1997). Foundations of Hindu economic state.
Armenhuizen
De stichting van het eerste armenhuis dateert van in het jaar 1596. De was gelegen in Amsterdam en kreeg de naam ‘Rasphuis’. De term ‘armenhuis’ werd zonder onderscheid gebruikt voor een scala van instituties, van de minuscule Engelse plattelandsasielen in de achttiende eeuw tot het
gigantische Parijse Hôpital Général rond 1850. De term refereert meer aan de verwachtingen van de stichters dan aan de omstandigheden van de bewoners. De meeste armenhuizen werden bevolkt door mensen die om de een of andere reden voor onderdak of opsluiting in aanmerking kwamen: krankzinnigen, kleine criminelen, gemakzuchtige rijkeluiszoontjes die discipline nodig hadden, wezen, weduwen, bejaarden, zieken, invaliden enzovoort. De gezonde armen behoorden dan ook tot de minderheid. Dezen deden dan ook hun uiterste best om buiten het armenhuis te blijven, waardoor deze met de minst arbeidsongeschikten bleef zitten. In deze huizen speelden vooral gebed, godsdienstonderricht en tucht de voornaamste rol. De lichamelijk gezonde bedelaars en zwervers bleven liever buiten. Dit was nochtans het doelpubliek bij de opstart van de armenhuizen. De zwevers bleven liever op straat leven, want als ze toevlucht zochten tot het
armenhuis werden ze door de regenten gemeden gezien nauwlettend toezicht en strenge veiligheidsmaatregelen nodig waren om te verhinderen dat ze zouden ontsnappen.
Armenhuizen die in de instelling zelf productieve arbeid organiseerden, waren eerder een uitzondering dan een regel. Achteraf gezien is het niet verbazend dat deze instituties zo dikwijls de verwachtingen van hun stichters beschaamden. Dagelijks werden mensen binnen gebracht die het meest in nood waren en het minst tegen de opname verzetten, terwijl diegenen die het meest
geschikt waren om te werken liever buiten bleven en daar dan ook het grootste gevaar vormden. In de zeventiende eeuw zette de ene gemeente na de andere met hooggespannen verwachtingen een armenhuis op poten. Dezen waren een goed voorbeeld van ‘bewuste culturele diffusie’, van de weloverwogen overname van een project van de ene gemeenschap door andere: het Amsterdamse project werd overgenomen door gemeenten in Nederland, Wenen en Parijs en beïnvloedde op zijn beurt de Duitse, Nederlandse en Spaanse plannen.
Toen de Industriële revolutie eenmaal op gang was en de nationale regeringen in staat waren effectief toezicht te houden op de verbindingswegen en criminelen, bedelaars en vagebonden nauwkeurig te registreren, lukte het om ook gezonde armen te verwelkomen en tewerk te stellen. Toen leek het armenhuis al meer op een strafinrichting, een opvoedingsgesticht om beginnende en recidiverende leeglopers de discipline van de arbeid bij te brengen. De traditie van het armenhuis werd opgevolgd door velerlei gespecialiseerde instituties zoals weeshuizen, bejaardenhuizen, ziekenhuizen, tuchtscholen, krankzinnigengestichten, kraaminrichtingen en gevangenissen.
De verwachtingen dat werkloze armen tewerkgesteld konden worden in een zichzelf bekostigend systeem heeft grote gevolgen gehad. De methode leek een uitweg te bieden uit het dilemma van uitsluiting of ondersteuning dat de betrekkelijk autonome gemeenschappen in het moderne Europa tot dan toe verlamd had. Gezien de bedelaars en vagebonden terecht konden in het armenhuis, waren de gemeenten nu eerder ook genegen om aanzienlijke getallen van deze doelgroep toe te laten.
Uiteindelijk ontstond er een centrale macht met een internet samenhang en externe connecties om een beleid te ontwikkelen en voor het hele rijk toe te passen. De staat was bij machte het regionale en zelfs nationale karakter van de problemen als dat van de landloperij in te zien en een regeling uit te vaardigen die bedoeld was om de openbare veiligheid te waarborgen.
Bronnen:
www.dbnl.org/tekst
www.zeelandnet.net
De stichting van het eerste armenhuis dateert van in het jaar 1596. De was gelegen in Amsterdam en kreeg de naam ‘Rasphuis’. De term ‘armenhuis’ werd zonder onderscheid gebruikt voor een scala van instituties, van de minuscule Engelse plattelandsasielen in de achttiende eeuw tot het
gigantische Parijse Hôpital Général rond 1850. De term refereert meer aan de verwachtingen van de stichters dan aan de omstandigheden van de bewoners. De meeste armenhuizen werden bevolkt door mensen die om de een of andere reden voor onderdak of opsluiting in aanmerking kwamen: krankzinnigen, kleine criminelen, gemakzuchtige rijkeluiszoontjes die discipline nodig hadden, wezen, weduwen, bejaarden, zieken, invaliden enzovoort. De gezonde armen behoorden dan ook tot de minderheid. Dezen deden dan ook hun uiterste best om buiten het armenhuis te blijven, waardoor deze met de minst arbeidsongeschikten bleef zitten. In deze huizen speelden vooral gebed, godsdienstonderricht en tucht de voornaamste rol. De lichamelijk gezonde bedelaars en zwervers bleven liever buiten. Dit was nochtans het doelpubliek bij de opstart van de armenhuizen. De zwevers bleven liever op straat leven, want als ze toevlucht zochten tot het
armenhuis werden ze door de regenten gemeden gezien nauwlettend toezicht en strenge veiligheidsmaatregelen nodig waren om te verhinderen dat ze zouden ontsnappen.
Armenhuizen die in de instelling zelf productieve arbeid organiseerden, waren eerder een uitzondering dan een regel. Achteraf gezien is het niet verbazend dat deze instituties zo dikwijls de verwachtingen van hun stichters beschaamden. Dagelijks werden mensen binnen gebracht die het meest in nood waren en het minst tegen de opname verzetten, terwijl diegenen die het meest
geschikt waren om te werken liever buiten bleven en daar dan ook het grootste gevaar vormden. In de zeventiende eeuw zette de ene gemeente na de andere met hooggespannen verwachtingen een armenhuis op poten. Dezen waren een goed voorbeeld van ‘bewuste culturele diffusie’, van de weloverwogen overname van een project van de ene gemeenschap door andere: het Amsterdamse project werd overgenomen door gemeenten in Nederland, Wenen en Parijs en beïnvloedde op zijn beurt de Duitse, Nederlandse en Spaanse plannen.
Toen de Industriële revolutie eenmaal op gang was en de nationale regeringen in staat waren effectief toezicht te houden op de verbindingswegen en criminelen, bedelaars en vagebonden nauwkeurig te registreren, lukte het om ook gezonde armen te verwelkomen en tewerk te stellen. Toen leek het armenhuis al meer op een strafinrichting, een opvoedingsgesticht om beginnende en recidiverende leeglopers de discipline van de arbeid bij te brengen. De traditie van het armenhuis werd opgevolgd door velerlei gespecialiseerde instituties zoals weeshuizen, bejaardenhuizen, ziekenhuizen, tuchtscholen, krankzinnigengestichten, kraaminrichtingen en gevangenissen.
De verwachtingen dat werkloze armen tewerkgesteld konden worden in een zichzelf bekostigend systeem heeft grote gevolgen gehad. De methode leek een uitweg te bieden uit het dilemma van uitsluiting of ondersteuning dat de betrekkelijk autonome gemeenschappen in het moderne Europa tot dan toe verlamd had. Gezien de bedelaars en vagebonden terecht konden in het armenhuis, waren de gemeenten nu eerder ook genegen om aanzienlijke getallen van deze doelgroep toe te laten.
Uiteindelijk ontstond er een centrale macht met een internet samenhang en externe connecties om een beleid te ontwikkelen en voor het hele rijk toe te passen. De staat was bij machte het regionale en zelfs nationale karakter van de problemen als dat van de landloperij in te zien en een regeling uit te vaardigen die bedoeld was om de openbare veiligheid te waarborgen.
Bronnen:
www.dbnl.org/tekst
www.zeelandnet.net
De heksenwaan, voeger en nu.
Wat is een heks nu precies? Vrouwen van wie men denkt, of die zelf aangeven dat ze magische krachten bezitten, worden een heks genoemd. Volgens de volksoverlevering gaan heksen in het zwart gekleed, vliegen ze op een bezemsteel, brouwen ze magische drankjes en hebben ze een helper, vaak in de gedaante van een kat. Mocht hier iets van klopen, dan zouden we heksen gemakkelijk kunnen herkennen, maar zeker de moderne heks voldoet absoluut niet aan dit profiel. Vroeger werden veel vrouwen als heks vervolg, alleen al omdat ze ongetrouwd bleven of met kruiden zieken genazen.
De bron van de eeuwenoude geschiedenis over heksen begint bij magie. In vroegere tijden werd alles wat men niet kon verklaren aan magie toegewezen. Magie staat in zeker zin tegenover de wetenschap en is gebaseerd op gevoel en dualiteit. Volgens de overlevering hebben beoefenaars van magie drie doelen, namelijk het manipuleren van liefde, de eeuwige jeugd en genezing en bezwering.
Tussen 1500 en 1700 heerste er in West Europa een grote angst voor heidenen en ongelovigen. De kerk zette al zijn macht en middelen in om zijn gelovigen te zuiveren van volksgeloof en heidense gebruiken. Als snel ontstond er een heksenwaan, die eeuwen lang zou duren. Er werden boeken gemaakt met beschrijvingen van alle vormen van magische praktijken, foltertechnieken en heksenproeven. Deze boeken werden gehanteerd bij beschuldiging van hekserij.
Dit boek zorgde er dan ook onrechtstreeks voor dat meer dan 10 miljoen vrouwen en mannen gefolterd, verbrand of opgehangen werden. Heksen werden gezien als oorzaak van de grote kindersterfte omdat zij verbonden waren met de duivel en een pact gesloten hadden waardoor ze ongedoopte kinderen moesten offeren. Zelfs wanneer de oogst mislukte werd al snel de beschuldigende vinger uitgestoken naar de heksen.
In 1486 begon de razzia op heksen pas goed. Onschuldige kruidenvrouwtjes werden uren lang gefolterd met duimschroeven en allerhande werktuigen. Dit tot ze bekenden waarna ze in het openbaar werden opgehangen, onthoofd of verbrand werden.
Tegenwoordig ziet men terug een opkomst van de hekserij, waardoor heksen terug wat in de belangstelling staan. Mensen staan er, in tegenstelling tot vroeger niet meer zo sceptisch over. De moderne heks komt voor in alle lagen van de bevolking. Meestal wordt de term ‘heks’ dan ook niet meer gebruikt. Veel mensen vinden kracht in deze levensvisie omdat ze het vertrouwen verloren hebben in kerkelijke instanties en moderne goeroes. Dit ongeacht hun beroep of status.
Hoewel er een mystieke sfeer omheen hangt, zijn de moderne heksen geen rare mensen die denken dat ze kunnen toveren. Het is een soort kunstvorm waarin spirituele en paranormale gaven gebruikt worden met als doel zichzelf te ontplooien en anderen te helpen.
De moderne hekserij krijg hun huidige vorm rond de jaren 1940. Het is een inwijdingsweg, een mysteriereligie die de ingewijde naar diepe eenwording met de natuurkrachten en de krachten in de eigen psyché leidt, waardoor een geestelijke transformatie van de mens bewerkstelligd wordt.
‘Wicca’ is dan ook een van de belangrijkste tradities binnen het moderne Paganisme. Het is zowel een religie als een Kunde. Als religie heeft het tot doel om het individu en de groep in harmonie te brengen met goddelijke creatieve krachten in de Kosmos en de manifestatie daarvan op alle niveaus. Als kundeheeft het tot doel om praktische resultaten te bereiken met geestelijke krachten, met een goede, nuttige en genezende intentie. Beiden zijn kenmerkend voor de Wicca: de natuur-gerichte houding, de autonomie van kleine groepen zonder kloof tussen priester en ‘kudde’, en de grondgedachte van een creatieve polariteit op alle niveaus, van Godin en God
tot priesters en priester.
Wicca wordt ook wel de ‘Craft of the Wise’ genoemtd, of kortweg de ‘Craft’. Diegenen die ingewijd willen worden moeten tenminste 18 jaar zijn. De Wicca wordt enkel maar gegeven aan diegenen die hebben bewezen dat ze de inwijding waardig zijn. De weg van de Wicca is een pad van magie en liefde, de beroering van de diepten van de ziel, het samen delen in de mysteriën van de Natuur, en het samen zijn met de Oude Goden.
Bronnen:
Janet and Stewart Farrar, Eight Sabbats For Witches, Robert Hale, London, 1981
Fernand Vanhemelryck, Het gevecht met de duivel, Heksen in Vlaanderen, Davidsfonds Leuven, 1999, 338 p. ISBN 90 5826 031 3
www.skepsis.nl/heksen.html
www.mens-en-samenleving.infonu.nl/religie/10827-moderne-hekserij.html
http://www.wikipedia.be/
Wat is een heks nu precies? Vrouwen van wie men denkt, of die zelf aangeven dat ze magische krachten bezitten, worden een heks genoemd. Volgens de volksoverlevering gaan heksen in het zwart gekleed, vliegen ze op een bezemsteel, brouwen ze magische drankjes en hebben ze een helper, vaak in de gedaante van een kat. Mocht hier iets van klopen, dan zouden we heksen gemakkelijk kunnen herkennen, maar zeker de moderne heks voldoet absoluut niet aan dit profiel. Vroeger werden veel vrouwen als heks vervolg, alleen al omdat ze ongetrouwd bleven of met kruiden zieken genazen.
De bron van de eeuwenoude geschiedenis over heksen begint bij magie. In vroegere tijden werd alles wat men niet kon verklaren aan magie toegewezen. Magie staat in zeker zin tegenover de wetenschap en is gebaseerd op gevoel en dualiteit. Volgens de overlevering hebben beoefenaars van magie drie doelen, namelijk het manipuleren van liefde, de eeuwige jeugd en genezing en bezwering.
Tussen 1500 en 1700 heerste er in West Europa een grote angst voor heidenen en ongelovigen. De kerk zette al zijn macht en middelen in om zijn gelovigen te zuiveren van volksgeloof en heidense gebruiken. Als snel ontstond er een heksenwaan, die eeuwen lang zou duren. Er werden boeken gemaakt met beschrijvingen van alle vormen van magische praktijken, foltertechnieken en heksenproeven. Deze boeken werden gehanteerd bij beschuldiging van hekserij.
Dit boek zorgde er dan ook onrechtstreeks voor dat meer dan 10 miljoen vrouwen en mannen gefolterd, verbrand of opgehangen werden. Heksen werden gezien als oorzaak van de grote kindersterfte omdat zij verbonden waren met de duivel en een pact gesloten hadden waardoor ze ongedoopte kinderen moesten offeren. Zelfs wanneer de oogst mislukte werd al snel de beschuldigende vinger uitgestoken naar de heksen.
In 1486 begon de razzia op heksen pas goed. Onschuldige kruidenvrouwtjes werden uren lang gefolterd met duimschroeven en allerhande werktuigen. Dit tot ze bekenden waarna ze in het openbaar werden opgehangen, onthoofd of verbrand werden.
Tegenwoordig ziet men terug een opkomst van de hekserij, waardoor heksen terug wat in de belangstelling staan. Mensen staan er, in tegenstelling tot vroeger niet meer zo sceptisch over. De moderne heks komt voor in alle lagen van de bevolking. Meestal wordt de term ‘heks’ dan ook niet meer gebruikt. Veel mensen vinden kracht in deze levensvisie omdat ze het vertrouwen verloren hebben in kerkelijke instanties en moderne goeroes. Dit ongeacht hun beroep of status.
Hoewel er een mystieke sfeer omheen hangt, zijn de moderne heksen geen rare mensen die denken dat ze kunnen toveren. Het is een soort kunstvorm waarin spirituele en paranormale gaven gebruikt worden met als doel zichzelf te ontplooien en anderen te helpen.
De moderne hekserij krijg hun huidige vorm rond de jaren 1940. Het is een inwijdingsweg, een mysteriereligie die de ingewijde naar diepe eenwording met de natuurkrachten en de krachten in de eigen psyché leidt, waardoor een geestelijke transformatie van de mens bewerkstelligd wordt.
‘Wicca’ is dan ook een van de belangrijkste tradities binnen het moderne Paganisme. Het is zowel een religie als een Kunde. Als religie heeft het tot doel om het individu en de groep in harmonie te brengen met goddelijke creatieve krachten in de Kosmos en de manifestatie daarvan op alle niveaus. Als kundeheeft het tot doel om praktische resultaten te bereiken met geestelijke krachten, met een goede, nuttige en genezende intentie. Beiden zijn kenmerkend voor de Wicca: de natuur-gerichte houding, de autonomie van kleine groepen zonder kloof tussen priester en ‘kudde’, en de grondgedachte van een creatieve polariteit op alle niveaus, van Godin en God
tot priesters en priester.
Wicca wordt ook wel de ‘Craft of the Wise’ genoemtd, of kortweg de ‘Craft’. Diegenen die ingewijd willen worden moeten tenminste 18 jaar zijn. De Wicca wordt enkel maar gegeven aan diegenen die hebben bewezen dat ze de inwijding waardig zijn. De weg van de Wicca is een pad van magie en liefde, de beroering van de diepten van de ziel, het samen delen in de mysteriën van de Natuur, en het samen zijn met de Oude Goden.
Bronnen:
Janet and Stewart Farrar, Eight Sabbats For Witches, Robert Hale, London, 1981
Fernand Vanhemelryck, Het gevecht met de duivel, Heksen in Vlaanderen, Davidsfonds Leuven, 1999, 338 p. ISBN 90 5826 031 3
www.skepsis.nl/heksen.html
www.mens-en-samenleving.infonu.nl/religie/10827-moderne-hekserij.html
http://www.wikipedia.be/
Het Kapitalisme
Overal waar men heen kijkt, ziet men hetzelfde beeld. Files aan de lokketten van het OCMW, laagbetaalde deeltijdse jobs, shopping-centers waar ooit fabrieken stonden. Mensen doen alles om het hoofd boven water te kunnen houden. Dit is Europa in de 21e eeuw.
Het kapitalisme is een politiek-economisch systeem dat gebaseerd is op het bezit van het productiemiddel kapitaal. Het ideaaltype van het kapitalisme heeft vier belangrijke kenmerken. Dit zijn de nadruk op het individu en privé-eigendom, het winststreven of de kapitaalaccumulatie, het marktmechanisme en de ondernemingsgewijze productie.
Het draagt bij aan de economische groei, maar over de wenselijkheid van de ontwikkeling en verdeling zijn de meningen verdeeld. Het kapitalisme vindt haar oorsprong terug in het vroegmoderne West-Europa, waar het ontstond uit het feodale systeem in de Late Middeleeuwen.
De arbeidsverdeling zette in deze periode steeds verder door, wat een proces van individualisering in gang zette, versterkt door de overgang van een agrarische naar een stedelijke samenleving.
Naast het vroegkapitalisme ontstond ook het mercantilisme. Tijden de negentiende eeuw gold het inzicht dat vrijhandel zowel als absolute als comparatieve voordelen bood en verminderde invloed van het mercantilisme om plaats te maken voor het economisch liberalisme. Hier stond de vrijheid van het individu centraal, aangezien het nastreven van eigenbelang de motor van de welvaart van de hele samenleving zou zijn. Om deze vrijheid in economisch handelen te bereiken, moest de staat zich inperken tot de garantie daarvan en op het vlak van productie en handel een politiek voeren van laisser faire.
Het kapitalisme is gebaseerd op één voorname steunpilaar: het privé-eigendom van de productiemiddelen (de bedrijven, de arbeidersplaatsen en het financiële systeem).
Kapitalisten verkrijgen hun inkomen uit dit eigendom, door winst uit hun investeringen, in plaats van door hun arbeidskracht te verkopen zoals de arbeider. Sommige delen van de economie kunnen publiek eigendom zijn, maar de grote privébedrijven vormen het belangrijkste deel.
Het privé-eigendom begon haar levensloop niet met het kapitalisme: Zowel de slavenmaatschappij als het feodalisme waren op het privé-eigendom gebaseerd. Toen werden ook gewone mensen uitgebuit. Slapen werken enkel voor voedsel en onderdak; lijfeigenen werkten een deel van de week op de landgoederen van de landheer of gaven een deel van hun oogst aan hem (of beide). De manier waarop arbeiders onder het kapitalisme uitgebuit worden, is anders. De lijfeigene had meestal wel een stukje land in bezig of had er tenminste rechten op. Voedsel en andere levensnoodzakelijkheden werden meestal door henzelf gemaakt. De arbeiders van vandaag kunnen hun eigen voedsel niet meer kweken of hun eigen kleren maken. Ze worden gedwongen voor een baas te werken om de eindjes aan elkaar te knopen. Daarom noemde Marx het kapitalisme de ‘veralgemeende warenproductie’. Dat is het idee van het ‘marktsysteem’: alles
staat te koop. Men noemt het de ‘vrije markt’. Er is echter niets vrij aan de markt als je een laag-betaalde job hebt. En waar is er vrijheid in een wereld waar alles opgedeeld is tussen een aantal grote bedrijven?
Wanneer men kijkt naar het inkomen en de levensstijl van grote bazen en de rijken, kan men slechts tot één conclusie leiden. België is geen arm land. Wie heeft al deze rijkdom gecreëerd? De bron van alle rijkdom in het kapitalistische maatschappij is de arbeid van de arbeidersklasse. Deze bestaan niet enkel uit fabrieksarbeiders die handenarbeid verrichten; het is de grote meerderheid van de bevolking die hun inkomen verkrijgen door hun arbeidskrachten te verkopen. Arbeiders hebben geen kapitaal of investeringen zoals de kapitalisten. Ze kunnen dikwijls met moeite de eindjes aan elkaar knopen.
Ook de werklozen en deeltijdse arbeiders behoren nog steeds tot de arbeidersklasse. Het is de fout van het systeem dat ze het recht op werk niet verkrijgen. Het is de arbeid die zaken hun waarde geeft in de marxistische zin van het woord. De natuurlijk levert de grondstoffen, het water, de lucht … Echter, we kunnen de meerderheid van de natuurlijke bronnen niet rechtstreeks gebruiken. Ze moeten eerst bewerkt worden om ze voor ons nuttig te maken. Hier kan men nogmaals aantonen dat arbeiders niet weg te denken zijn uit ons systeem.
Tegenwoordig is het kapitalisme over vrijwel de gehele wereld het vigerende economische systeem en vorm het steeds sterker een mondiale markt. Op de vraag in hoeverre het kapitalisme – de vrije markt – als maatgevend moet worden beschouwd voor de verdeling van economische macht wordt verschillend gedacht. De meest principiële kritiek op het kapitalisme komt tegenwoordig uit de hoek van het andersglobalisme.
Bronnen:
Karl Bachinger, Herbert Matis (2008): Soziookonomische Entwicklung: Konzeptionen und Analysen von Adam Smith bis Amartya K. Sen. Band 3074, UTB 2008, ISBN 978-3-8252-2074-6, p. 77
www.wikipedia.be
http://www.marxisme.be/nl/index.php?option=com_content&view=article&id=9&Itemid=2
Overal waar men heen kijkt, ziet men hetzelfde beeld. Files aan de lokketten van het OCMW, laagbetaalde deeltijdse jobs, shopping-centers waar ooit fabrieken stonden. Mensen doen alles om het hoofd boven water te kunnen houden. Dit is Europa in de 21e eeuw.
Het kapitalisme is een politiek-economisch systeem dat gebaseerd is op het bezit van het productiemiddel kapitaal. Het ideaaltype van het kapitalisme heeft vier belangrijke kenmerken. Dit zijn de nadruk op het individu en privé-eigendom, het winststreven of de kapitaalaccumulatie, het marktmechanisme en de ondernemingsgewijze productie.
Het draagt bij aan de economische groei, maar over de wenselijkheid van de ontwikkeling en verdeling zijn de meningen verdeeld. Het kapitalisme vindt haar oorsprong terug in het vroegmoderne West-Europa, waar het ontstond uit het feodale systeem in de Late Middeleeuwen.
De arbeidsverdeling zette in deze periode steeds verder door, wat een proces van individualisering in gang zette, versterkt door de overgang van een agrarische naar een stedelijke samenleving.
Naast het vroegkapitalisme ontstond ook het mercantilisme. Tijden de negentiende eeuw gold het inzicht dat vrijhandel zowel als absolute als comparatieve voordelen bood en verminderde invloed van het mercantilisme om plaats te maken voor het economisch liberalisme. Hier stond de vrijheid van het individu centraal, aangezien het nastreven van eigenbelang de motor van de welvaart van de hele samenleving zou zijn. Om deze vrijheid in economisch handelen te bereiken, moest de staat zich inperken tot de garantie daarvan en op het vlak van productie en handel een politiek voeren van laisser faire.
Het kapitalisme is gebaseerd op één voorname steunpilaar: het privé-eigendom van de productiemiddelen (de bedrijven, de arbeidersplaatsen en het financiële systeem).
Kapitalisten verkrijgen hun inkomen uit dit eigendom, door winst uit hun investeringen, in plaats van door hun arbeidskracht te verkopen zoals de arbeider. Sommige delen van de economie kunnen publiek eigendom zijn, maar de grote privébedrijven vormen het belangrijkste deel.
Het privé-eigendom begon haar levensloop niet met het kapitalisme: Zowel de slavenmaatschappij als het feodalisme waren op het privé-eigendom gebaseerd. Toen werden ook gewone mensen uitgebuit. Slapen werken enkel voor voedsel en onderdak; lijfeigenen werkten een deel van de week op de landgoederen van de landheer of gaven een deel van hun oogst aan hem (of beide). De manier waarop arbeiders onder het kapitalisme uitgebuit worden, is anders. De lijfeigene had meestal wel een stukje land in bezig of had er tenminste rechten op. Voedsel en andere levensnoodzakelijkheden werden meestal door henzelf gemaakt. De arbeiders van vandaag kunnen hun eigen voedsel niet meer kweken of hun eigen kleren maken. Ze worden gedwongen voor een baas te werken om de eindjes aan elkaar te knopen. Daarom noemde Marx het kapitalisme de ‘veralgemeende warenproductie’. Dat is het idee van het ‘marktsysteem’: alles
staat te koop. Men noemt het de ‘vrije markt’. Er is echter niets vrij aan de markt als je een laag-betaalde job hebt. En waar is er vrijheid in een wereld waar alles opgedeeld is tussen een aantal grote bedrijven?
Wanneer men kijkt naar het inkomen en de levensstijl van grote bazen en de rijken, kan men slechts tot één conclusie leiden. België is geen arm land. Wie heeft al deze rijkdom gecreëerd? De bron van alle rijkdom in het kapitalistische maatschappij is de arbeid van de arbeidersklasse. Deze bestaan niet enkel uit fabrieksarbeiders die handenarbeid verrichten; het is de grote meerderheid van de bevolking die hun inkomen verkrijgen door hun arbeidskrachten te verkopen. Arbeiders hebben geen kapitaal of investeringen zoals de kapitalisten. Ze kunnen dikwijls met moeite de eindjes aan elkaar knopen.
Ook de werklozen en deeltijdse arbeiders behoren nog steeds tot de arbeidersklasse. Het is de fout van het systeem dat ze het recht op werk niet verkrijgen. Het is de arbeid die zaken hun waarde geeft in de marxistische zin van het woord. De natuurlijk levert de grondstoffen, het water, de lucht … Echter, we kunnen de meerderheid van de natuurlijke bronnen niet rechtstreeks gebruiken. Ze moeten eerst bewerkt worden om ze voor ons nuttig te maken. Hier kan men nogmaals aantonen dat arbeiders niet weg te denken zijn uit ons systeem.
Tegenwoordig is het kapitalisme over vrijwel de gehele wereld het vigerende economische systeem en vorm het steeds sterker een mondiale markt. Op de vraag in hoeverre het kapitalisme – de vrije markt – als maatgevend moet worden beschouwd voor de verdeling van economische macht wordt verschillend gedacht. De meest principiële kritiek op het kapitalisme komt tegenwoordig uit de hoek van het andersglobalisme.
Bronnen:
Karl Bachinger, Herbert Matis (2008): Soziookonomische Entwicklung: Konzeptionen und Analysen von Adam Smith bis Amartya K. Sen. Band 3074, UTB 2008, ISBN 978-3-8252-2074-6, p. 77
www.wikipedia.be
http://www.marxisme.be/nl/index.php?option=com_content&view=article&id=9&Itemid=2
Cholera
De infectieziekte ‘Cholera’ wordt veroorzaakt door de bacterie ‘Vibrio Choleraen’. De wordt voornamelijk gekenmerkt door heftige, waterige diarree. Hippocrates was de eerste persoon die het woord cholera uitsprak. Hij noemde het naar de samenvoeging van ‘chole’ (gal) en ‘rein’ (vloeien). Er is ook mogelijks ook verwantschap met de Griekse ‘cholera’, dat (dak)goot betekent en verwijst naar de aard van de ontlasting van cholerapatiënten. Deze ziekte heeft verschillende pandemieën veroorzaakt. De laatste (en zevende) dateert van begin de jaren 60 van vorige eeuw.
Tegenwoordig wordt cholera gezien als een importziekte en komt het niet vaak voor in de Westerse landen. Een groot deel van de personen die door Vibrio Cholerae zijn geïnfecteerd heeft geen symptomen of slecht een milde diarree. Bij gezonde reizigers verloopt de ziekte dan ook meestal mild en zelflimiterend. Het typische klinische beeld van cholera begint met het acuut optreden van braken en grote hoeveelheden waterdunne diarree. Verder wordt de geïnfecteerde ook gediagnostiseerd met buikkrampen. Velen raken na enkele dagen dan ook wel gedehydrateerd. Symptomen hiervan zijn: zwakke of afwezige (snelle) pols, zeer lage bloeddruk, verminderde huidturgor, droge slijmvliezen en diepliggende ogen. In eerste instantie zijn patiënten met cholera helder en alert en hebben ze enkel een dorstig gevoel. Bij toenemen dehydratatie worden ze eerst rusteloos, erna apatisch en eventueel volgt later het bewustzijnsverlies. De incubatieperiode duurt 12 uur tot 5 dagen.
De infectieziekte ‘Cholera’ wordt veroorzaakt door de bacterie ‘Vibrio Choleraen’. De wordt voornamelijk gekenmerkt door heftige, waterige diarree. Hippocrates was de eerste persoon die het woord cholera uitsprak. Hij noemde het naar de samenvoeging van ‘chole’ (gal) en ‘rein’ (vloeien). Er is ook mogelijks ook verwantschap met de Griekse ‘cholera’, dat (dak)goot betekent en verwijst naar de aard van de ontlasting van cholerapatiënten. Deze ziekte heeft verschillende pandemieën veroorzaakt. De laatste (en zevende) dateert van begin de jaren 60 van vorige eeuw.
Tegenwoordig wordt cholera gezien als een importziekte en komt het niet vaak voor in de Westerse landen. Een groot deel van de personen die door Vibrio Cholerae zijn geïnfecteerd heeft geen symptomen of slecht een milde diarree. Bij gezonde reizigers verloopt de ziekte dan ook meestal mild en zelflimiterend. Het typische klinische beeld van cholera begint met het acuut optreden van braken en grote hoeveelheden waterdunne diarree. Verder wordt de geïnfecteerde ook gediagnostiseerd met buikkrampen. Velen raken na enkele dagen dan ook wel gedehydrateerd. Symptomen hiervan zijn: zwakke of afwezige (snelle) pols, zeer lage bloeddruk, verminderde huidturgor, droge slijmvliezen en diepliggende ogen. In eerste instantie zijn patiënten met cholera helder en alert en hebben ze enkel een dorstig gevoel. Bij toenemen dehydratatie worden ze eerst rusteloos, erna apatisch en eventueel volgt later het bewustzijnsverlies. De incubatieperiode duurt 12 uur tot 5 dagen.

De Vibrio Cholerae is afkomstig uit India. Deze besmettelijke ziekte zou zijn oorsprong hebben in een grote epidemie die in 1817 in India uitbrak waarbij achteraf de rivier de Ganges als grote
besmettingshaard werd aangewezen. Het bereikte Europa veertien jaar later, in 1831. Ook in België maakte de ziekte in de 19e eeuw heel wat slachtoffers.
Hoewel er in 1844 al een verband was gelegd tussen cholera en besmet drinkwater, werd dit pas in 1849 voor het eerst in de medische wereld onderkend, door de Britse arts-wetenschapper John Snow. In 1855 werd de tweede versie uitgegeven. Hierin vermeldt men een gedetailleerd onderzoek naar de invloed van besmet water uit een waterpomp op Broadstreet op de epidemie die in 1854 Londen heeft getroffen. Het besluit leek dan ook logisch: mensen die dicht
bij die waterpomp woonden (en hun water daar dus haalden) raakten veel vaker besmet dan elders.
Tijdens de industrialisatie kwamen er in Engeland veel infecties voor. Dit had er mee te maken dat mensen onder heel slechte leefomstandigheden leefden. Er waren geen waterleidingen of rioleringen aanwezig, waardoor de uitwerpselen van mensen en dieren direct in de beerputten terecht kwamen. Wanneer iemand in de familie cholera kreeg, was diarree een logisch gevolg. De diarree veroorzaakte vervolgens de uitdroging. Als men dan nog steeds uit de vieze tonnen of dergelijke dronk, werd men nog zieker, met dikwijls de dood tot gevolg. Pas aan het einde van deze periode liet de Engelse regering waterleidingen en rioleringen aanleggen.
Bronnen:
http://www.who.int/
http://www.rivm.nl/Bibliotheek/Professioneel_Praktisch/Richtlijnen/Infectieziekten/LCI_richtlijnen/LCI_richtlijn_Cholera
http://www.rivm.nl/Zoeken?query=cholera
Recht op onderwijs
Elk kind in België heeft recht op gratis basisonderwijs. Ook secundair en hoger onderwijs moeten betaalbaar blijven. Het onderwijsnet in Vlaanderen is betrekkelijk goed te noemen. Toch hebben sommige kinderen het moeilijk op school omdat hun ouders een andere taal spreken, arm zijn of omdat er thuis veel ruzie is. Ook kinderen met een handicap of kinderen die trager leren hebben soms problemen op school. Elk kind heeft daarom recht op onderwijs op maat, als het kan in het gewoon onderwijs en anders in een aangepaste school. De theorie in de praktijk omzetten blijkt toch een gecompliceerde opdracht te zijn.
Onderwijsdecreet XXI
Op 19 mei 2011 werd er over het Onderwijsdecreet XXI in de Commissie Onderwijs van het Vlaams Parlement gestemd. Dit decreet stelt een wettig verblijf als nieuwe inschrijvingsvoorwaarde voor een opleiding in het volwassenenonderwijs. De nieuwe inschrijvingsvoorwaarde werkt discriminerend en wekt verdere uitsluiting van de meeste kwetsbare groep in België in de hand. Toch meent Samenlevingsopbouw Brussel dat onderwijs een grondrecht is, en wenst dit dan ook gevrijwaard te zien voor iedereen.
Vlaams minister van Onderwijs, Pascal Smet, meent dat de nieuwe inschrijvingsvoorwaarde in het leven geroepen werd omwille van de lange wachtrijen voor de cursussen Nederlandse Tweede Taal. Of die mensen zonder papieren deze wachtlijst veroorzaken, kan niet aangetoond
worden. Eenvoudigweg omdat de verblijfssituatie niet wordt geregistreerd. Bovendien is het een disproportionele maatregel gegeven de beslissing om direct ook geen toegang meer te verschaffen tot eender welke andere CVO-opleiding waar geen enkele sprake is van wachtlijsten. Het gaat om een principiële keuze deze doelgroep uit te sluiten.
De Vlaamse overheid wil hiermee dan ook geen verkeerde indruk wekken door hen de mogelijkheid te geven een opleiding te volgen in functie van hun integratie, conform aan het federaal beleid gericht op vrijwillige of gedwongen terugkeer van mensen zonder wettig verblijf. Samenlevingsopbouw Brussel is echter weinig van overtuigd dat de uitsluiting van het volwassenenonderwijs een effectief middel is om mensen aan te sporen het land te verlaten. Evenmin is het de taak van de sector onderwijs om het falende asiel-en migratiebeleid van de federale overheid op te vangen.
Mensen zonder papieren worden vanaf nu dus systematisch uitgesloten van het opleidingsaanbod van de CVO’s en Basiseducatie. Nochtans is de Nederlandse taal net dé graadmeter voor integratie in onze maatschappij. Vele vinden deze keuze voor de nieuwe inschrijvingsvoorwaarde dan ook discriminerend.
Samenlevingsopbouw Brussel stelt dan ook dat mensen zonder papieren tijdens hun
verblijf in België in staat moeten zijn om hun competenties te ontwikkelen. Indien men in de toekomst alsnog een wettig verblijf zal bekomen, kan dat de integratie enkel maar ten goede komen. Wanneer alle verblijfsmogelijkheden uitgeput zijn, kan de opgedane kennis de professionele en sociale re-integratie in het land van herkomst vergemakkelijken.
Steeds verder doorgevoerde uitsluiting in België zal ook niet leiden tot minder clandestiene migratie zolang de economische en sociale ongelijkheid blijft bestaan. Wel zal de vorming van de onderklasse minimaal zijn, waardoor deze mensen niet of weinig kunnen meedraaien in onze maatschappij, waar misbruik en uitbuiting soms de norm zijn. Tegen deze tendens moet men zich ten allen tijde keren om te vermijden dat we in België afglijden naar toestanden die de migranten ontvlucht zijn.
Bronnen:
http://www.vormen.org/Rechtvaardig/Onderwijs.html
http://www.ond.vlaanderen.be/
http://www.dewereldmorgen.be/artikels/2011/05/18/recht-op-onderwijs-voor-iedereen
Elk kind in België heeft recht op gratis basisonderwijs. Ook secundair en hoger onderwijs moeten betaalbaar blijven. Het onderwijsnet in Vlaanderen is betrekkelijk goed te noemen. Toch hebben sommige kinderen het moeilijk op school omdat hun ouders een andere taal spreken, arm zijn of omdat er thuis veel ruzie is. Ook kinderen met een handicap of kinderen die trager leren hebben soms problemen op school. Elk kind heeft daarom recht op onderwijs op maat, als het kan in het gewoon onderwijs en anders in een aangepaste school. De theorie in de praktijk omzetten blijkt toch een gecompliceerde opdracht te zijn.
Onderwijsdecreet XXI
Op 19 mei 2011 werd er over het Onderwijsdecreet XXI in de Commissie Onderwijs van het Vlaams Parlement gestemd. Dit decreet stelt een wettig verblijf als nieuwe inschrijvingsvoorwaarde voor een opleiding in het volwassenenonderwijs. De nieuwe inschrijvingsvoorwaarde werkt discriminerend en wekt verdere uitsluiting van de meeste kwetsbare groep in België in de hand. Toch meent Samenlevingsopbouw Brussel dat onderwijs een grondrecht is, en wenst dit dan ook gevrijwaard te zien voor iedereen.
Vlaams minister van Onderwijs, Pascal Smet, meent dat de nieuwe inschrijvingsvoorwaarde in het leven geroepen werd omwille van de lange wachtrijen voor de cursussen Nederlandse Tweede Taal. Of die mensen zonder papieren deze wachtlijst veroorzaken, kan niet aangetoond
worden. Eenvoudigweg omdat de verblijfssituatie niet wordt geregistreerd. Bovendien is het een disproportionele maatregel gegeven de beslissing om direct ook geen toegang meer te verschaffen tot eender welke andere CVO-opleiding waar geen enkele sprake is van wachtlijsten. Het gaat om een principiële keuze deze doelgroep uit te sluiten.
De Vlaamse overheid wil hiermee dan ook geen verkeerde indruk wekken door hen de mogelijkheid te geven een opleiding te volgen in functie van hun integratie, conform aan het federaal beleid gericht op vrijwillige of gedwongen terugkeer van mensen zonder wettig verblijf. Samenlevingsopbouw Brussel is echter weinig van overtuigd dat de uitsluiting van het volwassenenonderwijs een effectief middel is om mensen aan te sporen het land te verlaten. Evenmin is het de taak van de sector onderwijs om het falende asiel-en migratiebeleid van de federale overheid op te vangen.
Mensen zonder papieren worden vanaf nu dus systematisch uitgesloten van het opleidingsaanbod van de CVO’s en Basiseducatie. Nochtans is de Nederlandse taal net dé graadmeter voor integratie in onze maatschappij. Vele vinden deze keuze voor de nieuwe inschrijvingsvoorwaarde dan ook discriminerend.
Samenlevingsopbouw Brussel stelt dan ook dat mensen zonder papieren tijdens hun
verblijf in België in staat moeten zijn om hun competenties te ontwikkelen. Indien men in de toekomst alsnog een wettig verblijf zal bekomen, kan dat de integratie enkel maar ten goede komen. Wanneer alle verblijfsmogelijkheden uitgeput zijn, kan de opgedane kennis de professionele en sociale re-integratie in het land van herkomst vergemakkelijken.
Steeds verder doorgevoerde uitsluiting in België zal ook niet leiden tot minder clandestiene migratie zolang de economische en sociale ongelijkheid blijft bestaan. Wel zal de vorming van de onderklasse minimaal zijn, waardoor deze mensen niet of weinig kunnen meedraaien in onze maatschappij, waar misbruik en uitbuiting soms de norm zijn. Tegen deze tendens moet men zich ten allen tijde keren om te vermijden dat we in België afglijden naar toestanden die de migranten ontvlucht zijn.
Bronnen:
http://www.vormen.org/Rechtvaardig/Onderwijs.html
http://www.ond.vlaanderen.be/
http://www.dewereldmorgen.be/artikels/2011/05/18/recht-op-onderwijs-voor-iedereen
woensdag 18 april 2012
Analfabetisme
Analfabetisme wordt ook wel eens ‘ongeletterdheid’ genoemd. Mensen die hieraan lijden noemt men analfabeten. Deze personen beheersen in onvoldoende mate de vaardigheid in lezen, spellen en/of schrijven. Er wordt meestal wel een onderscheid gemaakt tussen analfabeten en laaggeletterden. Laaggeletterden kunnen wel lezen en schrijven, maar beheersen deze vaardigheden niet genoeg om goed te kunnen functioneren in deze maatschappij. Een analfabeet daarentegen is niet in staat om een tekst te lezen. Niettemin zijn ze wel in staat om de taal te leren. Mensen met een erge vorm van dyslexie, kunnen we lezen, maar kunnen het geheel
niet interpreteren. Deze personen hebben het wel moeilijk met het aanleren van deze competenties.
Analfabetisme betekent meer dan niet kunnen lezen en schrijven. Het houdt ook in: de sleutel missen tot ontwikkeling, tot participatie in de samenleving, tot het doorbreken van de vicieuze cirkel van armoede en afhankelijkheid, generaties lang …
Analfabetisme komt het meeste voor in ontwikkelingslanden. Hoewel daar ook al het aantal analfabeten aan het afnemen is. Volgens de interpretatie ‘UNESCO’ wordt analfabetisme in ontwikkelingslanden gedefinieerd als het percentage personen boven de 15 die niet kunnen lezen of schrijven. In 1990 bedroeg dit nog 30%, 10 jaar later was dit slechts 24% meer. De meeste analfabeten vindt men in Zuid-Azië (46%), gevolgd door Afrika ten
zuiden van de Sahara (39%). In westerse landen zoals Nederland en België komt dit verschijnsel in minimale getallen ook voor. Beide landen dan ook ernstige inspanningen om dit cijfer
terug te dringen.
In Vlaanderen zijn de centra voor basiseducatie heel bekend om hun intensieve cursussen. Deze cursussen zijn erg laagdrempeling. Behalve lezen en schrijven komt er ook maatschappelijke weerbaarheid aan bod, omdat de groep laaggeletterden daar vaak ook behoefte aan hebben, zoals bij het invullen van formulieren en het aanvragen van uitkeringen.
Wereldwijd worden er 880 miljoen analfabeten geteld. Toch blijft het analfabetisme in deze tijden nog steeds een taboe. Hieronder vindt u een verdeling van de analfabeten, wereldwijd. Gezien de legende niet echt duidelijk is: donker rood: het meeste aantal analfabeten, naar beneden, blauw: het minste analfabeten.

Wat doet de overheid hieraan?
niet interpreteren. Deze personen hebben het wel moeilijk met het aanleren van deze competenties.
Analfabetisme betekent meer dan niet kunnen lezen en schrijven. Het houdt ook in: de sleutel missen tot ontwikkeling, tot participatie in de samenleving, tot het doorbreken van de vicieuze cirkel van armoede en afhankelijkheid, generaties lang …
Analfabetisme komt het meeste voor in ontwikkelingslanden. Hoewel daar ook al het aantal analfabeten aan het afnemen is. Volgens de interpretatie ‘UNESCO’ wordt analfabetisme in ontwikkelingslanden gedefinieerd als het percentage personen boven de 15 die niet kunnen lezen of schrijven. In 1990 bedroeg dit nog 30%, 10 jaar later was dit slechts 24% meer. De meeste analfabeten vindt men in Zuid-Azië (46%), gevolgd door Afrika ten
zuiden van de Sahara (39%). In westerse landen zoals Nederland en België komt dit verschijnsel in minimale getallen ook voor. Beide landen dan ook ernstige inspanningen om dit cijfer
terug te dringen.
In Vlaanderen zijn de centra voor basiseducatie heel bekend om hun intensieve cursussen. Deze cursussen zijn erg laagdrempeling. Behalve lezen en schrijven komt er ook maatschappelijke weerbaarheid aan bod, omdat de groep laaggeletterden daar vaak ook behoefte aan hebben, zoals bij het invullen van formulieren en het aanvragen van uitkeringen.
Wereldwijd worden er 880 miljoen analfabeten geteld. Toch blijft het analfabetisme in deze tijden nog steeds een taboe. Hieronder vindt u een verdeling van de analfabeten, wereldwijd. Gezien de legende niet echt duidelijk is: donker rood: het meeste aantal analfabeten, naar beneden, blauw: het minste analfabeten.

Wat doet de overheid hieraan?
Men gaat onder andere de geletterdheid bij jongeren gaan bevorderen. Verschillende instituties richten zich op het voorkomen en verminderen van laaggeletterdheid en alfabetisme. Ook proberen ze tot een leesbevordering te komen. De overheid gaat projecten opzetten die er voor zorgen dat kinderen met een leerachterstand specifieke aandacht en begeleiding krijgen (vb: GON-beleid). Ze gaan proberen het aantal voortijdig schoolverlaters te verminderen. Het probleem ligt natuurlijk niet bij jongeren alleen. Ook het aantal laaggeletterde volwassenen willen ze terug dringen. Dit doet men door onder andere de instelling ‘basiseducatie’ te subsidiëren. Hier kunnen laaggeletterden tegen een heel lage prijs les volgen. Ook worden er taa -en schrijfcursussen georganiseerd.
Verder investeert de overheid in de promotie van allerhande ontwikkelingen, projecten, .. zodat de laaggeletterdheid en analfabetisme drastisch verminderen.
Bronnen:
DE SWAAN, A. (2004). Zorg en de staat. Amsterdam: Bert Bakker, p.73
DE SWAAN, A. (2004). Zorg en de staat. Amsterdam: Bert Bakker, p.73
http://www.armoedebestrijding.be/cijfers_analfabetisme.htm
Sociale zekerheid in België
Sociale zekerheid NU
Ongeveer de ganse bevolking van België heeft ooit wel eens in contact gekomen met het sociale-zekerheids-stelsel. Hierin kunnen er 2 systemen onderscheiden worden, namelijk: de klassieke sectoren van de sociale zekerheid en de sociale bijstand.
De Belgische sociale zekerheid is gebaseerd op solidariteit tussen:
- Jongeren en ouderen
- Gezonden en zieken
- Werkenden en werklozen
- Mensen met een inkomen en zonder
- Gezinnen zonder kinderen en gezinnen met kinderen
- Enzoverder
De klassieke sociale zekerheid bevat zeven takken:
- Rust- en overlevingspensioenen
- Werkloosheid
- Arbeidsongevallenverzekering
- Beroepsziekteverzekering
- Gezinsbijslag
- Verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen
- Jaarlijkse vakantie
Zelfstandigen kunnen zich tot een sociale verzekering aansluiten in geval van faillissement. Vrouwelijke zelfstandigen kunnen ook genieten van moederschapshulp.
Met sociale bijstand wordt concreet bedoeld:
- Leefloon (en sociale bijstand in brede zin)
- Inkomensgarantie voor ouderen
- Gewaarborgde gezinsbijslag
- Tegemoetkomingen aan gehandicapten
Het klassieke socialezekerheidsstelsel kan men in drie stelsels opdelen: een stelsel voor werknemers, een voor zelfstandigen en een voor ambtenaren.
De solidariteit blijft gewaarborgd omdat onder andere de werkende mensen een bijdrage moeten storten in verhouding tot hun loon. De financiering hiervan gebeurt grotendeels door de gemeenschap. Zowel de vakbonden, als de ziekenfondsen en de werkgeversorganisaties beslissen mee over de verschillende aspecten van het systeem.
Sociale zekerheid VROEGER
Zoals Rome niet op één dag gebouwd is, zo is het Belgische Socialezekerheidsstelsel ook niet in één dag ontstaan. Het is het resultaat van verschillende evoluties die zich de voorbije 150 jaar hebben voorgedaan. Als men het hedendaags stelsel bekijkt, ziet men nog kenmerken die vroeger beslist werden.
Het socialezekerheidssysteem ontstond in de periode van de eerste industriële revolutie en bij het ontstaan van het kapitalisme. Voorafgaand aan dit systeem werd de bestaande armoede steeds in familiaal verband opgelost. Vanaf dan werd het een als een probleem van de samenleving beschouwd. Dit leidde tot de oprichting van ‘Burgerlijke Godshuizen’ en ‘Burelen van Weldadigheid’. Dit waren de voorlopers van het OCMW. Tevens zijn er door de industriële revolutie specifieke risico’s ontstaan. Men was namelijk verplicht om als arbeider in de fabriek te gaan werken. Arbeiders gingen zelf ‘Maatschappijen voor Onderlinge Bijstand’ oprichten. Deze
onderlinge verzekeringskassen beschermden de aangesloten werknemers tegen de nieuwe sociale risico’s. Onder impuls van de opkomende arbeidersbeweging werden deze plaatselijke Maatschappijen voor Onderlinge Bijstand omgevormd tot mutualiteiten. Zo ook werden er kinderbijslagkassen opgericht, die een tegemoetkoming voorzagen voor arbeiders met kinderen. Door de enorme crisis die geleid heeft tot de nationale stakingen van 1886, werd het duidelijk dat overheidsinterventie onontbeerlijk was. Vanaf dan ging de overheid de mutualiteiten subsidiëren.
In 1903 ontstond de eerste verplichte verzekering. Het ging om een verzekering tegen arbeidsongevallen. Tussen de twee wereldoorlogen is het geheel van de verplichte verzekeringen danig uitgebreid. De sociale risico’s (ziekte, invaliditeit en werkloosheid) bleven nog steeds in
de gesubsidieerde privésfeer van mutualiteiten en syndicaten hangen. Tussen de beide wereldoorlogen kwam de eerste weg met het oog op het gewaardborgd inkomen voor gehandicapten tot stand.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog kwamen afgevaardigden van de werknemerssyndicaten,
de werkgeversorganisaties en enkele hoge functionarissen samen om een ‘Ontwerp van Overeenkomst tot Sociale Solidariteit’ voor na de oorlog op te stellen. In 1944 werd het sociaal pact door die drie partijen ondertekend. Het sociaal pact steunde op twee grote pijlers, namelijk de sociale vrede tussen de werknemers-en werkgeversorganisaties en de solidariteitsgedachte. Dit pact bracht enkele belangrijke vernieuwingen met zich mee. De uitkeringen ging omhoog, de Rijksdienst voor Maatschappelijke Zekerheid werd opgericht, de sociale zekerheid werd paritair beheerd, … Het sociaal pact vermelde niets over arbeidsongevallen en beroepsziekten, die
via de privé-verzekeringen werden geregeld. Langzaam aan evolueerde het socialezekerheidssysteem van een gewone verzekering tegen sociale risico’s naar een waarborg voor bestaanszekerheid voor iedereen.
Tijdens de economische crisis midden de jaren 1970, stijgt de werkloosheid, waardoor het moeilijk wordt om de kosten van de sociale zekerheid onder controle te houden. De enige oplossing voorhanden was de inkomsten te verhogen en de sociale uitkeringen te verlagen. Vanaf 1982 werd een crisisbeleid gevoerd.
Verder bouwt men de sociale zekerheid uit tot een belangrijke bouwsteen van
onze welvaartsmaatschappij waar solidariteit centraal staat.
Bronnen:
http://www.socialezekerheid.fgov.be/nl/, 16/04/2012
www.socialsecurity.fgov.be/nl/nieuws-publicaties/publicaties/beknopt-overzicht.htm, 16/04/201
Sociale zekerheid NU
Ongeveer de ganse bevolking van België heeft ooit wel eens in contact gekomen met het sociale-zekerheids-stelsel. Hierin kunnen er 2 systemen onderscheiden worden, namelijk: de klassieke sectoren van de sociale zekerheid en de sociale bijstand.
De Belgische sociale zekerheid is gebaseerd op solidariteit tussen:
- Jongeren en ouderen
- Gezonden en zieken
- Werkenden en werklozen
- Mensen met een inkomen en zonder
- Gezinnen zonder kinderen en gezinnen met kinderen
- Enzoverder
De klassieke sociale zekerheid bevat zeven takken:
- Rust- en overlevingspensioenen
- Werkloosheid
- Arbeidsongevallenverzekering
- Beroepsziekteverzekering
- Gezinsbijslag
- Verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen
- Jaarlijkse vakantie
Zelfstandigen kunnen zich tot een sociale verzekering aansluiten in geval van faillissement. Vrouwelijke zelfstandigen kunnen ook genieten van moederschapshulp.
Met sociale bijstand wordt concreet bedoeld:
- Leefloon (en sociale bijstand in brede zin)
- Inkomensgarantie voor ouderen
- Gewaarborgde gezinsbijslag
- Tegemoetkomingen aan gehandicapten
Het klassieke socialezekerheidsstelsel kan men in drie stelsels opdelen: een stelsel voor werknemers, een voor zelfstandigen en een voor ambtenaren.
De solidariteit blijft gewaarborgd omdat onder andere de werkende mensen een bijdrage moeten storten in verhouding tot hun loon. De financiering hiervan gebeurt grotendeels door de gemeenschap. Zowel de vakbonden, als de ziekenfondsen en de werkgeversorganisaties beslissen mee over de verschillende aspecten van het systeem.
Sociale zekerheid VROEGER
Zoals Rome niet op één dag gebouwd is, zo is het Belgische Socialezekerheidsstelsel ook niet in één dag ontstaan. Het is het resultaat van verschillende evoluties die zich de voorbije 150 jaar hebben voorgedaan. Als men het hedendaags stelsel bekijkt, ziet men nog kenmerken die vroeger beslist werden.
Het socialezekerheidssysteem ontstond in de periode van de eerste industriële revolutie en bij het ontstaan van het kapitalisme. Voorafgaand aan dit systeem werd de bestaande armoede steeds in familiaal verband opgelost. Vanaf dan werd het een als een probleem van de samenleving beschouwd. Dit leidde tot de oprichting van ‘Burgerlijke Godshuizen’ en ‘Burelen van Weldadigheid’. Dit waren de voorlopers van het OCMW. Tevens zijn er door de industriële revolutie specifieke risico’s ontstaan. Men was namelijk verplicht om als arbeider in de fabriek te gaan werken. Arbeiders gingen zelf ‘Maatschappijen voor Onderlinge Bijstand’ oprichten. Deze
onderlinge verzekeringskassen beschermden de aangesloten werknemers tegen de nieuwe sociale risico’s. Onder impuls van de opkomende arbeidersbeweging werden deze plaatselijke Maatschappijen voor Onderlinge Bijstand omgevormd tot mutualiteiten. Zo ook werden er kinderbijslagkassen opgericht, die een tegemoetkoming voorzagen voor arbeiders met kinderen. Door de enorme crisis die geleid heeft tot de nationale stakingen van 1886, werd het duidelijk dat overheidsinterventie onontbeerlijk was. Vanaf dan ging de overheid de mutualiteiten subsidiëren.
In 1903 ontstond de eerste verplichte verzekering. Het ging om een verzekering tegen arbeidsongevallen. Tussen de twee wereldoorlogen is het geheel van de verplichte verzekeringen danig uitgebreid. De sociale risico’s (ziekte, invaliditeit en werkloosheid) bleven nog steeds in
de gesubsidieerde privésfeer van mutualiteiten en syndicaten hangen. Tussen de beide wereldoorlogen kwam de eerste weg met het oog op het gewaardborgd inkomen voor gehandicapten tot stand.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog kwamen afgevaardigden van de werknemerssyndicaten,
de werkgeversorganisaties en enkele hoge functionarissen samen om een ‘Ontwerp van Overeenkomst tot Sociale Solidariteit’ voor na de oorlog op te stellen. In 1944 werd het sociaal pact door die drie partijen ondertekend. Het sociaal pact steunde op twee grote pijlers, namelijk de sociale vrede tussen de werknemers-en werkgeversorganisaties en de solidariteitsgedachte. Dit pact bracht enkele belangrijke vernieuwingen met zich mee. De uitkeringen ging omhoog, de Rijksdienst voor Maatschappelijke Zekerheid werd opgericht, de sociale zekerheid werd paritair beheerd, … Het sociaal pact vermelde niets over arbeidsongevallen en beroepsziekten, die
via de privé-verzekeringen werden geregeld. Langzaam aan evolueerde het socialezekerheidssysteem van een gewone verzekering tegen sociale risico’s naar een waarborg voor bestaanszekerheid voor iedereen.
Tijdens de economische crisis midden de jaren 1970, stijgt de werkloosheid, waardoor het moeilijk wordt om de kosten van de sociale zekerheid onder controle te houden. De enige oplossing voorhanden was de inkomsten te verhogen en de sociale uitkeringen te verlagen. Vanaf 1982 werd een crisisbeleid gevoerd.
Verder bouwt men de sociale zekerheid uit tot een belangrijke bouwsteen van
onze welvaartsmaatschappij waar solidariteit centraal staat.
Bronnen:
http://www.socialezekerheid.fgov.be/nl/, 16/04/2012
www.socialsecurity.fgov.be/nl/nieuws-publicaties/publicaties/beknopt-overzicht.htm, 16/04/201
dinsdag 17 april 2012
De bureaucratisering
In het vakgebied sociologie wordt bureaucratie aangeduid als ‘een bestuursvorm van grote organisaties, waar volgende de voornaamste kenmerken zijn:
- Een centrale leiding en strikt hiërarchische ordening der functionarissen;
- Onpersoonlijke betrekkingen tussen functionarissen en publiek;
- Een beslissingsproces volgens algemene regels en routineprocedures, steunend op schriftelijke communicatie en dossierinformatie.
In deze moderne maatschappij is de omvang en betekenis van dit begrip niet weg te denken. Het was reeds aanwezig in het oude China, het hellenistische Egypte en Rome en zelf bij de Inka’s. Bureaucratische structuren werden in het leven geroepen door rationalisatie, organisatie en specialisatie van velerlei activiteiten op allerlei gebieden. Het ambtenarenapparaat van de
overheid is de belangrijkste gebleven.
Bureaucratie wordt het beste toegepast in monopolistische organisaties, zoals: overheidsdiensten en politiek-monopolistische stelsels die geen parlementair tegenwicht kennen. Gezien het gebrek aan particulier initiatief bij de bevolking, neemt de staat tal van functies zelf ter hand, waardoor er in vele nieuwe staten een ware bureaucratische hausse valt op te merken.
Niet ieder maatschappelijk en politiek stelsel is voor de ontwikkeling van bureaucratisch beheer even vruchtbaar. Waar het kapitalisme vroeg wortel schoot en een zelfbewuste burgerij aanwezig was, zoals in de Verenigde Staten, bleef de groei van de waardering voor de bureaucratie
aanzienlijk achter bij die in landen met een meer feodale structuur en dominante positie van de staat.
De bureaucratisering stuit ook op weerstand waar krachtige persoonlijkheden gewend zijn een organisatie te leiden of waar de zelfstandigheid van de topleden van de organisatie sterk worden beklemtoond. De actuele visie op overheidsorganisaties sluit aan op het denken van de socioloog Max Weber. Hij was historicus en socioloog en is gekend als een van de grootste figuren uit de geschiedenis van de sociale wetenschappen. Het toenemend rationeel en bureaucratisch karakter achtte hij als kenmerk van de moderne samenleving. Niettegenstaande was Weber bang dat
kostbare menselijke waarden verloren zouden gaan. Hij vreesde dat de mens de slaaf zou worden van zijn eigen scheppingen. De toenemende ingewikkeldheid en
onwrikbaarheid van de moderne sociale structuren verstikten hem.
Weber zag de bureaucratie als rationeel en efficiënt. Iedereen wordt er op gelijke wijze behandeld. Familie en vrienden worden in de ideale situatie niet voorgetrokken.
In het Weberiaanse concept ‘bureaucratie’ staat ook de taakverdeling centraal. Elke afdeling is verantwoordelijk voor één stukje van de keten, waarbij de taakverdeling duidelijk beschreven wordt. Verder vond Weber de scheiding tussen politiek en ambtenarij een pluspunt. Ambtenaren zijn volgens Weber trouw en objectief. De politieke besluitvormers nemen beslissingen, die
de ambtenarij op hun beurt uitvoert. Daarom spreekt men ook over het primaat van de politiek. Deze visie is dan wel waardevol, ze is natuurlijk niet de absolute waarheid. De manier waarop men een opdracht dient uit te voeren is immers ook waardegebonden. Men kan een weg door een bos trekken, dat is de goedkoopste manier. Men kan ook de weg rond het bos leggen, dat is de ecologische manier.
Weber zag desondanks ook de gevaren. De bureaucratie is een onpersoonlijke machine waarin de
individuele vrijheid van ambtenaren verloren gaat. De bureaucraten konden soms te veel macht in handen krijgen die niet door de politiek verantwoordelijken gecontroleerd kon worden.
Tegenwoordig wordt de term ‘bureaucratie’ met een wrange nasmaak uitgesproken. Naar de mening van vele gebruikers zijn er te veel regels of procedures of wordt men te onpersoonlijk behandeld. Mensen ervaren het als een overdreven papiermoelen en krijgen het gevoel ‘van het kastje naar de muur gestuurd te worden’. Velen denken ook dat een daling van de ambtenaren zou resulteren in een efficiëntere manier van werken.
Bronnen:
Grote Winkler Prins, encyclopedie in twintig delen, 1967
www.wikipedia.be
In het vakgebied sociologie wordt bureaucratie aangeduid als ‘een bestuursvorm van grote organisaties, waar volgende de voornaamste kenmerken zijn:
- Een centrale leiding en strikt hiërarchische ordening der functionarissen;
- Onpersoonlijke betrekkingen tussen functionarissen en publiek;
- Een beslissingsproces volgens algemene regels en routineprocedures, steunend op schriftelijke communicatie en dossierinformatie.
In deze moderne maatschappij is de omvang en betekenis van dit begrip niet weg te denken. Het was reeds aanwezig in het oude China, het hellenistische Egypte en Rome en zelf bij de Inka’s. Bureaucratische structuren werden in het leven geroepen door rationalisatie, organisatie en specialisatie van velerlei activiteiten op allerlei gebieden. Het ambtenarenapparaat van de
overheid is de belangrijkste gebleven.
Bureaucratie wordt het beste toegepast in monopolistische organisaties, zoals: overheidsdiensten en politiek-monopolistische stelsels die geen parlementair tegenwicht kennen. Gezien het gebrek aan particulier initiatief bij de bevolking, neemt de staat tal van functies zelf ter hand, waardoor er in vele nieuwe staten een ware bureaucratische hausse valt op te merken.
Niet ieder maatschappelijk en politiek stelsel is voor de ontwikkeling van bureaucratisch beheer even vruchtbaar. Waar het kapitalisme vroeg wortel schoot en een zelfbewuste burgerij aanwezig was, zoals in de Verenigde Staten, bleef de groei van de waardering voor de bureaucratie
aanzienlijk achter bij die in landen met een meer feodale structuur en dominante positie van de staat.
De bureaucratisering stuit ook op weerstand waar krachtige persoonlijkheden gewend zijn een organisatie te leiden of waar de zelfstandigheid van de topleden van de organisatie sterk worden beklemtoond. De actuele visie op overheidsorganisaties sluit aan op het denken van de socioloog Max Weber. Hij was historicus en socioloog en is gekend als een van de grootste figuren uit de geschiedenis van de sociale wetenschappen. Het toenemend rationeel en bureaucratisch karakter achtte hij als kenmerk van de moderne samenleving. Niettegenstaande was Weber bang dat
kostbare menselijke waarden verloren zouden gaan. Hij vreesde dat de mens de slaaf zou worden van zijn eigen scheppingen. De toenemende ingewikkeldheid en
onwrikbaarheid van de moderne sociale structuren verstikten hem.
Weber zag de bureaucratie als rationeel en efficiënt. Iedereen wordt er op gelijke wijze behandeld. Familie en vrienden worden in de ideale situatie niet voorgetrokken.
In het Weberiaanse concept ‘bureaucratie’ staat ook de taakverdeling centraal. Elke afdeling is verantwoordelijk voor één stukje van de keten, waarbij de taakverdeling duidelijk beschreven wordt. Verder vond Weber de scheiding tussen politiek en ambtenarij een pluspunt. Ambtenaren zijn volgens Weber trouw en objectief. De politieke besluitvormers nemen beslissingen, die
de ambtenarij op hun beurt uitvoert. Daarom spreekt men ook over het primaat van de politiek. Deze visie is dan wel waardevol, ze is natuurlijk niet de absolute waarheid. De manier waarop men een opdracht dient uit te voeren is immers ook waardegebonden. Men kan een weg door een bos trekken, dat is de goedkoopste manier. Men kan ook de weg rond het bos leggen, dat is de ecologische manier.
Weber zag desondanks ook de gevaren. De bureaucratie is een onpersoonlijke machine waarin de
individuele vrijheid van ambtenaren verloren gaat. De bureaucraten konden soms te veel macht in handen krijgen die niet door de politiek verantwoordelijken gecontroleerd kon worden.
Tegenwoordig wordt de term ‘bureaucratie’ met een wrange nasmaak uitgesproken. Naar de mening van vele gebruikers zijn er te veel regels of procedures of wordt men te onpersoonlijk behandeld. Mensen ervaren het als een overdreven papiermoelen en krijgen het gevoel ‘van het kastje naar de muur gestuurd te worden’. Velen denken ook dat een daling van de ambtenaren zou resulteren in een efficiëntere manier van werken.
Bronnen:
Grote Winkler Prins, encyclopedie in twintig delen, 1967
www.wikipedia.be
De welzijnseconomie, een economie die zowel sociaal, als ecologisch is.
Iedereen weet al langer dan vandaag dat de manier waarop we onze wereld op economisch vlak laten draaien niet altijd even sociaal is. Alsook niet zo ecologisch verantwoord. Naar schatting verdienen twee en een half miljard mensen minder dan anderhalve euro per dag. Zo geven wij de
generaties na ons het vergiftigde geschenk van deze wereld waarvan we het natuurlijk kapitaal veel te gulzig verbruiken.
Gedurende de laatste decennia zijn we getuige kunnen zijn van een nieuwe globaliseringsgolf waarbij het Noorden zijn ontwikkelingsmodel goedschiks of kwaadschiks heeft doorgedrukt bij de landen in het Zuiden. De economische groei vormt de alfa en de omega van dit ontwikkelingsmodel, met als gevolg een stijging van het Bruto Mondiaal Product. De populatie moet streven naar de vrijmaking van de markten, de afbouw van de regulerende rol van nationale overheden, de liberalisering van het financiewezen, de privatisering van overheidsbedrijven enzoverder.
Men beweert dat de globale economische groei noodzakelijk is om ervoor te zorgen dat de armoede effectief bestreden kan worden. De ervaring leert ons dat mondiale economische groei een toch wel zeer inefficiënte manier is om aan armoedebestrijding te doen. Ecologische kosten hebben doorgaans ook vergaande economische gevolgen. Vaak betreft de economische groei die een enorme milieukost met zich meebrengt en die de armsten onder ons extra hard treft. De onrechtvaardige economische verdeling wordt in stand gehouden door onrechtvaardige ecologische verdeling, zowel tussen als binnen landen. Wanneer het natuurlijk kapitaal achteruit gaat, zijn de armsten vanzelfsprekend de eerste slachtoffers : zij zijn dan ook het
meest afhankelijk van natuurlijke bronnen om te overleven.
De ecologische problematiek en het mondiale rechtvaardigheidsvraagstuk zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Armere mensen wonen verhoudingsgewijs vaker in de meest vervuilde buurten. Zij beschikken dan ook niet over de middelen om zich te wapenen tegen de gevolgen hiervan.
Een tweede probleem dat zich mede stelt is het groeigerichte ontwikkelingsmodel. Ondanks de inzet en goedbedoelde initiatieven omtrent duurzame ontwikkeling gaat het niet goed met het Ecosysteem Aarde. De wetenschap toont aan via onderzoek dat de mondiale milieu-impact de draagkracht van de aarde overschrijdt. Zo ontstaat onder andere het snelle
biodiversiteitsverlies en de globale opwarming. Niet alleen het Noorden, de rijke geïndustrialiseerde landen) bevuilt de aarde. Meer en meer treedt het Zuiden (ontwikkelingslanden) hen bij. China en India telt ongeveer 400 miljoen ‘nieuwe consumenten’ met een even grote ecologische voetafdruk als de gemiddelde westerling. Het is natuurlijk niet de
bedoeling dat we gaan veralgemenen naar de wereldbevolking. Toch kunnen we stellen dat de consumptiepatronen zoals wij die gewoon zijn in het Westen, ondemocratisch zijn. Zij kunnen niet universeel gedeeld worden. De Westerlingen hebben een materiaal-enenergie-intensieve levenswijze die alleen volgehouden kan worden doordat de ecologische kosten worden afgewenteld op de niet-consumerende leden van de huidige en de toekomstige generaties. Deze zullen het moeten stellen met een veel minder leefbare wereld, dan deze dewelke onze voorouders kregen.
Naarmate de wereldvebolking toeneemt, dient de beschikbare biocapaciteit van de aarde gedeeld te worden door het aantal mensen. Om op een menswaardige manier te kunnen leven, hebben de 75% armsten in de wereld recht op een groter deel van de ecologische kloek. Het principe van ecologische duurzaamheid vereist dat de totale schaal van de wereldeconomie het draagvlak van de aarde respecteert. Hier streven vele mensen dan ook naar. Wetenschappers hebben voor dit scenario berekend dat de doorstroom van materialen en energie doorheen de Westerse economie met een factor 10 moet dalen. Het is zeer onwaarschijnlijk dat dit wetenschappelijk gegeven te verzoeken valt met de ongelimiteerde mondiale BNP-groei.
Bron:
Terra Reversa, http://www.pala.be/, 13/02/2007
Iedereen weet al langer dan vandaag dat de manier waarop we onze wereld op economisch vlak laten draaien niet altijd even sociaal is. Alsook niet zo ecologisch verantwoord. Naar schatting verdienen twee en een half miljard mensen minder dan anderhalve euro per dag. Zo geven wij de
generaties na ons het vergiftigde geschenk van deze wereld waarvan we het natuurlijk kapitaal veel te gulzig verbruiken.
Gedurende de laatste decennia zijn we getuige kunnen zijn van een nieuwe globaliseringsgolf waarbij het Noorden zijn ontwikkelingsmodel goedschiks of kwaadschiks heeft doorgedrukt bij de landen in het Zuiden. De economische groei vormt de alfa en de omega van dit ontwikkelingsmodel, met als gevolg een stijging van het Bruto Mondiaal Product. De populatie moet streven naar de vrijmaking van de markten, de afbouw van de regulerende rol van nationale overheden, de liberalisering van het financiewezen, de privatisering van overheidsbedrijven enzoverder.
Men beweert dat de globale economische groei noodzakelijk is om ervoor te zorgen dat de armoede effectief bestreden kan worden. De ervaring leert ons dat mondiale economische groei een toch wel zeer inefficiënte manier is om aan armoedebestrijding te doen. Ecologische kosten hebben doorgaans ook vergaande economische gevolgen. Vaak betreft de economische groei die een enorme milieukost met zich meebrengt en die de armsten onder ons extra hard treft. De onrechtvaardige economische verdeling wordt in stand gehouden door onrechtvaardige ecologische verdeling, zowel tussen als binnen landen. Wanneer het natuurlijk kapitaal achteruit gaat, zijn de armsten vanzelfsprekend de eerste slachtoffers : zij zijn dan ook het
meest afhankelijk van natuurlijke bronnen om te overleven.
De ecologische problematiek en het mondiale rechtvaardigheidsvraagstuk zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Armere mensen wonen verhoudingsgewijs vaker in de meest vervuilde buurten. Zij beschikken dan ook niet over de middelen om zich te wapenen tegen de gevolgen hiervan.
Een tweede probleem dat zich mede stelt is het groeigerichte ontwikkelingsmodel. Ondanks de inzet en goedbedoelde initiatieven omtrent duurzame ontwikkeling gaat het niet goed met het Ecosysteem Aarde. De wetenschap toont aan via onderzoek dat de mondiale milieu-impact de draagkracht van de aarde overschrijdt. Zo ontstaat onder andere het snelle
biodiversiteitsverlies en de globale opwarming. Niet alleen het Noorden, de rijke geïndustrialiseerde landen) bevuilt de aarde. Meer en meer treedt het Zuiden (ontwikkelingslanden) hen bij. China en India telt ongeveer 400 miljoen ‘nieuwe consumenten’ met een even grote ecologische voetafdruk als de gemiddelde westerling. Het is natuurlijk niet de
bedoeling dat we gaan veralgemenen naar de wereldbevolking. Toch kunnen we stellen dat de consumptiepatronen zoals wij die gewoon zijn in het Westen, ondemocratisch zijn. Zij kunnen niet universeel gedeeld worden. De Westerlingen hebben een materiaal-enenergie-intensieve levenswijze die alleen volgehouden kan worden doordat de ecologische kosten worden afgewenteld op de niet-consumerende leden van de huidige en de toekomstige generaties. Deze zullen het moeten stellen met een veel minder leefbare wereld, dan deze dewelke onze voorouders kregen.
Naarmate de wereldvebolking toeneemt, dient de beschikbare biocapaciteit van de aarde gedeeld te worden door het aantal mensen. Om op een menswaardige manier te kunnen leven, hebben de 75% armsten in de wereld recht op een groter deel van de ecologische kloek. Het principe van ecologische duurzaamheid vereist dat de totale schaal van de wereldeconomie het draagvlak van de aarde respecteert. Hier streven vele mensen dan ook naar. Wetenschappers hebben voor dit scenario berekend dat de doorstroom van materialen en energie doorheen de Westerse economie met een factor 10 moet dalen. Het is zeer onwaarschijnlijk dat dit wetenschappelijk gegeven te verzoeken valt met de ongelimiteerde mondiale BNP-groei.
Bron:
Terra Reversa, http://www.pala.be/, 13/02/2007
zondag 15 april 2012
Het moderne terrorisme
Vrijdag 13 april. Het slechte weer zette me er toe aan om wat tv te kijken. Mijn oog viel op een programma op canvas, namelijk: ‘History of terrorism’, een documentaire reeks van Michael Prazan over de geschiedenis en de ontwikkeling van het moderne terrorisme. Dagelijks ontploffen er in Irak, Afghanistan of elders in de wereld bommen die vaak tientallen mensenlevens eisen. Geen enkel land is immuun voor het terrorisme. In de aanloop naar 9/11
en daarna waren er zware aanslagen in Afrika (Kenia, Tanzania), Europa (Madrid, Londen) en Azië (Bali).
Terrorisme is een deel geworden van het moderne leven. Kapingen, bomaanslagen en moorden op verschillende continenten van de wereld lijken een manier om sociale, politieke en religieuze verandering te bevorderen.
Terrorisme is een breed concept, vandaar dat ik in dit artikel er voor gekozen heb me toe te spitsen op ‘de strijd van de Westerse democratieën tegen het terrorisme, met als zwaartepunt de islamisering van het terrorisme.’
Sinds 1970 vond het Islamitische terrorisme het plaats rond het Midden-Oosten, Afrika, Europa, Zuid-Azië en de Verenigde Staten. Deze terroristenorganisaties trainden hun manschappen om zelfmoordpogingen, kapen, kidnappen, enzoverder uit te voeren. Ze rekruteerden hun nieuwe leden dikwijls via het internet. Men riep op om naar ‘plaats x’ af te reizen en mee te doen
aan trainingskampen om zo volleerd terrorist te worden.
Jihad is een begrip uit de Islam. Het komt van de Arabische woordstam jhd, dat 'streven' betekent. Jihad betekent: ‘Heilige oorlog tegen het kwaad in jezelf en je eigen leven.’ Dit is foutief geïnterpreteerd als een oproep tot geweld tegen niet-moslims.
Een ideologie dat een rol speelt in het Islamitische terrorisme is het principe van Jihad, dewelke doorgaans strijdvoering betekent. Militanten gebruiken in het algemeen de jihad om oorlogsvoering of tegenmaatregelen te gebruiken tegen actoren die – naar men zegt – de Moslims geschaad hebben.
Sterke bevolkingsgroei, gecombineerd met economische stagnatie hebben stedelijke agglomeraties gecreëerd in Caïro, Istanbul, Tehran, Karachi, Dhaka en Jakarte. Elk met meer dan 12 miljoen burgers, miljoenen jonge burgers zonder werk. Dit publiek zijn vanzelfsprekend de favorieten van het Islamitische systeem. Ze beloven hen een betere wereld en een familiale basis voor groepsidentiteit en solidariteit.
Wat hierboven beschreven werd, heeft te maken met: ‘Moslimextremisme’ of ‘Islamitisch extremisme’. Deze term duidt een maatschappelijke en antiwesterse politieke stroming aan die uitgaat van de waarden van het moslimfundamentaslisme die combineert met een extremische signatuur. Moslimextremisme is geen vastomlijnde term en wordt zowel gebruikt voor islamitische, door islamitische principes ingegeven terroristische of orthodox-islamitische opvattingen.
Veel van deze islamistische hervormingsbewegingen die sinds de jaren 70 en 80 van de 20e eeuw zijn opgericht, zoals Al Qaida, staan een rigoureuze, hernieuwde toepassing van de Koran en de religieuze wetten voor. Deze niet-geestelijken passen de islamitische wetten echter toe zonder de
islamitische leermeesters te consulteren. Zij erkennen de koranexegese die in de loop der eeuwen door islamitische juristen werden gemaakt, niet.
Moslimextremisten kunnen passief zijn (de sharia of andere orthodoxe islamitische principes aanhangen bijvoorbeeld) maar ook actief. In dat geval kan moslimextremisme zich uiten in terrorisme of onderdrukking en discriminatie van vrouwen, homoseksuelen, afvallige moslims, niet-moslims of politiek maatschappelijk andersdenkenden zoals individualisten, feministen, liberalen en anarchisten.
Tot slot moet het terrorisme worden erkend als een nieuw type van militaire agressie, dat actie van de overheid vereist. Het gaat hier om een niet-verklaarde oorlog. Regels, wetten en het preventiebeleid moeten nog verder uitgewerkt worden om de terroristische agressie te voorkomen of op zen minst te reduceren.
Vrijdag 13 april. Het slechte weer zette me er toe aan om wat tv te kijken. Mijn oog viel op een programma op canvas, namelijk: ‘History of terrorism’, een documentaire reeks van Michael Prazan over de geschiedenis en de ontwikkeling van het moderne terrorisme. Dagelijks ontploffen er in Irak, Afghanistan of elders in de wereld bommen die vaak tientallen mensenlevens eisen. Geen enkel land is immuun voor het terrorisme. In de aanloop naar 9/11
en daarna waren er zware aanslagen in Afrika (Kenia, Tanzania), Europa (Madrid, Londen) en Azië (Bali).
Terrorisme is een deel geworden van het moderne leven. Kapingen, bomaanslagen en moorden op verschillende continenten van de wereld lijken een manier om sociale, politieke en religieuze verandering te bevorderen.
Terrorisme is een breed concept, vandaar dat ik in dit artikel er voor gekozen heb me toe te spitsen op ‘de strijd van de Westerse democratieën tegen het terrorisme, met als zwaartepunt de islamisering van het terrorisme.’
Sinds 1970 vond het Islamitische terrorisme het plaats rond het Midden-Oosten, Afrika, Europa, Zuid-Azië en de Verenigde Staten. Deze terroristenorganisaties trainden hun manschappen om zelfmoordpogingen, kapen, kidnappen, enzoverder uit te voeren. Ze rekruteerden hun nieuwe leden dikwijls via het internet. Men riep op om naar ‘plaats x’ af te reizen en mee te doen
aan trainingskampen om zo volleerd terrorist te worden.
Jihad is een begrip uit de Islam. Het komt van de Arabische woordstam jhd, dat 'streven' betekent. Jihad betekent: ‘Heilige oorlog tegen het kwaad in jezelf en je eigen leven.’ Dit is foutief geïnterpreteerd als een oproep tot geweld tegen niet-moslims.
Een ideologie dat een rol speelt in het Islamitische terrorisme is het principe van Jihad, dewelke doorgaans strijdvoering betekent. Militanten gebruiken in het algemeen de jihad om oorlogsvoering of tegenmaatregelen te gebruiken tegen actoren die – naar men zegt – de Moslims geschaad hebben.
Sterke bevolkingsgroei, gecombineerd met economische stagnatie hebben stedelijke agglomeraties gecreëerd in Caïro, Istanbul, Tehran, Karachi, Dhaka en Jakarte. Elk met meer dan 12 miljoen burgers, miljoenen jonge burgers zonder werk. Dit publiek zijn vanzelfsprekend de favorieten van het Islamitische systeem. Ze beloven hen een betere wereld en een familiale basis voor groepsidentiteit en solidariteit.
Wat hierboven beschreven werd, heeft te maken met: ‘Moslimextremisme’ of ‘Islamitisch extremisme’. Deze term duidt een maatschappelijke en antiwesterse politieke stroming aan die uitgaat van de waarden van het moslimfundamentaslisme die combineert met een extremische signatuur. Moslimextremisme is geen vastomlijnde term en wordt zowel gebruikt voor islamitische, door islamitische principes ingegeven terroristische of orthodox-islamitische opvattingen.
Veel van deze islamistische hervormingsbewegingen die sinds de jaren 70 en 80 van de 20e eeuw zijn opgericht, zoals Al Qaida, staan een rigoureuze, hernieuwde toepassing van de Koran en de religieuze wetten voor. Deze niet-geestelijken passen de islamitische wetten echter toe zonder de
islamitische leermeesters te consulteren. Zij erkennen de koranexegese die in de loop der eeuwen door islamitische juristen werden gemaakt, niet.
Moslimextremisten kunnen passief zijn (de sharia of andere orthodoxe islamitische principes aanhangen bijvoorbeeld) maar ook actief. In dat geval kan moslimextremisme zich uiten in terrorisme of onderdrukking en discriminatie van vrouwen, homoseksuelen, afvallige moslims, niet-moslims of politiek maatschappelijk andersdenkenden zoals individualisten, feministen, liberalen en anarchisten.
Tot slot moet het terrorisme worden erkend als een nieuw type van militaire agressie, dat actie van de overheid vereist. Het gaat hier om een niet-verklaarde oorlog. Regels, wetten en het preventiebeleid moeten nog verder uitgewerkt worden om de terroristische agressie te voorkomen of op zen minst te reduceren.
Bronnen:
Laquer Walter, The Age of terrorisme. Boston: Brown, 1987. Boston: Brown, 1987.
Lewis, Bernard, 'Islam: The Religion and the People' (2009). Page 53, 145–150
Jane I. Smith (2005). "Islam and Christianity". Encyclopedia of Christianity. Oxford University Press. ISBN 978-0-19-522393-4
Daniel Byman and Christine Fair (July/August 2010). “The case of Calling Them Nitwits.” Atlantic Magazine. 8 juli 2010.
donderdag 12 april 2012
Sociale ongelijkheden in de gezondheidssector
In een ideale wereld is er geen sprake van armoede en sociale uitsluiting. De werkelijkheid beantwoordt nu eenmaal niet aan de normen van de ideale wereld. Die armoede verdwijnt niet van vandaag op morgen. Toch zetten allerhande initiatieven en de overheid zich iedere dag in om de kansarmen beetje bij beetje een beter leven te kunnen bieden. Hoe deze armoede aangepakt wordt, wordt gekleurd door de manier waarop wij naar mensen kijken en hoe we willen dat de maatschappij met mensen – ook met mensen in armoede – omgaat. Armoede verreist een hertekening van de samenleving en dit vanuit een duidelijke kijk op de armoede zelf. Mensen uit een hogere klasse vinden dikwijls dat zij hun welvaart verdienen omdat ze er zelf voor gezorgd hebben. Hiermee worden armen dus ook zelf verantwoordelijk geacht voor het niet hebben van die welvaart. Wie zelf in de armoede terechtkomt, vindt dat niet van zichzelf. Meestal wordt de vinger naar de maatschappij zelf uitgestoken. Deze visie bemoeilijkt natuurlijk de strijd
tegen de armoede.
In een ideale wereld is er geen sprake van armoede en sociale uitsluiting. De werkelijkheid beantwoordt nu eenmaal niet aan de normen van de ideale wereld. Die armoede verdwijnt niet van vandaag op morgen. Toch zetten allerhande initiatieven en de overheid zich iedere dag in om de kansarmen beetje bij beetje een beter leven te kunnen bieden. Hoe deze armoede aangepakt wordt, wordt gekleurd door de manier waarop wij naar mensen kijken en hoe we willen dat de maatschappij met mensen – ook met mensen in armoede – omgaat. Armoede verreist een hertekening van de samenleving en dit vanuit een duidelijke kijk op de armoede zelf. Mensen uit een hogere klasse vinden dikwijls dat zij hun welvaart verdienen omdat ze er zelf voor gezorgd hebben. Hiermee worden armen dus ook zelf verantwoordelijk geacht voor het niet hebben van die welvaart. Wie zelf in de armoede terechtkomt, vindt dat niet van zichzelf. Meestal wordt de vinger naar de maatschappij zelf uitgestoken. Deze visie bemoeilijkt natuurlijk de strijd
tegen de armoede.
De armoedeproblematiek wordt gekenmerkt door de multi-aspectualiteit. Het is namelijk meer dan een tekort aan inkomen. Het verwijst naar een geheel van onderling verbonden vormen van uitsluiting op verschillende domeinen van het individuele en sociale leven. Financiële moeilijkheden zijn tegelijk vaak oorzaak en gevolg van achterstelling op vlak van tewerkstelling, onderwijs, huisvesting, gezondheid en maatschappelijke participatie.
Armoede is geen individueel probleem. Eerder een maatschappelijk probleem. De manier waarop onze samenleving is ingericht ligt grotendeels aan de basis van armoede en uitsluiting. Onze maatschappelijk structuren zijn dikwijls ervoor verantwoordelijk dat niet iedereen meekan in het onderwijs, op de werkvloer, in de gezondheidszorg, op de huisvestingsmarkt. Uiteindelijk belanden veel kansarmen in een vicieuze cirkel die erg moeilijk te doorbreken lijkt. Hiervoor dienen beleidsorganen vooral armoede bij de wortel aan te pakken. De samenleving is daarbij in de eerste plaats de verandering.
Moeten leven in armoede verkleint je kansen op en lang en gezond leven. Ook in Vlaanderen blijft de gezondheidskloof tussen arm en rijk bestaan. Wie ziek wordt, dreigt soms door aanslepende kosten in de armoede te vervallen, zeker als het gaat om chronische ziekten. Nog sterker is de impact in de andere richting. Leven in armoede leidt tot een slechtere gezondheid. Dit komt vooral door: de drempels die kansarmen ervaren voor zowel curatieve als preventieve
gezondheidszorg, de vaak stresserende ongezonde leef- en werkomstandigheden en
dergelijke. Ook de sensibilisatie die op touw gezet werd voor een gezonde levensstijl houdt te weinig rekening met mensen die in armoede leven.
Naar schatting wordt meer dan de helft van de gezondheidskloof veroorzaakt door ongezond gedrag in een ongezonde omgeving. Niet alleen de laagste sociale klasse ondervindt hier de gevolgen van. De gezondheid verloopt volgens een ‘sociale gradiënt’: hoe lager je sociale positie, hoe slechter je gezondheid. Sociale ongelijkheden in de gezondheidssector zijn geen recent verschijnsel. De eerste statistici in Europa merkten reeds in de negentiende eeuw op dat het sterftecijfer in stedelijke gebieden met een lage socio-economische status, hoger lagen dan in de meer gegoede wijken. De belangstelling nam sinds de jaren 1990 nog toe. Dit kwam vooral door de opzienbarende verbetering van de gezondheidstoestand van de bevolking na de 2e wereldoorlog en door de publicatie van twee invloedrijke rapporten. In het eerste rapport worden de doelstellingen van de strategie van het Regionaal Bureau voor Europa van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) toegelicht. Het tweede rapport werd begin jaren tachtig gepubliceerd, met de naam: ‘Black report’. Op deze rapporten wordt verder niet ingegaan.
Hoe beïnvloeden de sociale ongelijkheden de gezondheidszorg?
Wat vast staat, is dat de sociale ongelijkheden zowel op de fysieke als op psychische gezondheidstoestand een effect hebben. Deze ongelijkheden zouden het resultaat zijn van een dubbele last: personen met een laag socio-economisch niveau zijn algemeen meer blootgesteld aan stresserende levensomstandigheden en hebben minder beschermende middelen.
Het sterke verband tussen de socio-economische status en de gezondheid kan verklaard worden door verschillende hypothesen. Hieronder de meest gangbare:
- Artefacthypothese: er is geen oorzakelijk verband tussen de socio-economische status en de gezondheid. De waargenomen gezondheidsverschillen berusten grotendeels op artefacten of fouten in de studie.
- Hypothese van de sociale selectie: er is geen oorzakelijk verband tussen de socio-economische status en de gezondheid. Hier vertrekt men vanuit de vaststelling dat de gezondheidstoestand van een persoon een invloed heeft op zijn/haar socio-economische status. Bovendien is een slechte gezondheidstoestand, naast de negatieve weerslag van een geringe socio-economische
status op de gezondheid, ook een factor voor sociale ontsporing. Een slechte gezondheid heeft meerdere sociale en economische gevolgen. Een slechte gezondheid heeft zowel sociale als economische gevolgen (loonverlies, sociale uitsluiting, arbeidsongeschiktheid …). De socio-economische positie zou dus bepaald worden door de gezondheidstoestand en niet omgekeerd.
- Materiële hypothese: Volgens deze hypothese kan het verband tussen socio-economische status en gezondheid toegeschreven worden aan intermediaire factoren die zelf ongelijk verspreid zijn in de maatschappij. Hier spelen vooral materiële of structurele factoren een rol, zoals bijvoorbeeld het gebrek aan financiële middelen. De meest gegoede personen beschikken over voldoende materiële middelen die het hen mogelijk maken om een gezonder leven te leiden omdat ze meer toegang hebben tot de gezondheidszorg, tot de preventiediensten, tot sportinfrastructuur, gezonde voeding en een gezondere leefomgeving.
- Psychosociale hypothese: Hier spelen terug de intermediaire factoren een rol. Deze factoren hebben te maken met stress door bepaalde arbeids- of leefomstandigheden (vb: financiële moeilijkheden, inspanningen die materieel of moreel onbeloond blijven enz). Deze stress kan de gezondheid op 2 manieren beïnvloeden. Ten eerste zou de stress tot pathogene effecten kunnen leiden. Naast deze rechtstreekse effecten kunnen deze mechanismen ook een grotere kwetsbaarheid voor ziektes in het algemeen verklaren. De schadelijkste stress is namelijk niet deze op korte termijn, maar deze die langdurig aanhoudt. In bepaalde situaties kan deze stress uiteindelijk uitmonden in schadelijke gezondheidsgedragingen, zoals bijvoorbeeld misbruik van alcohol, drugs of tabak. Zo zou het tabaksgebruik bij kansarme bevolkingsgroepen één van de weinige overblijvende genoegens zijn in hun vrij sombere leefwereld.
- Hypothese van de gezondheidsgedragingen: Deze hypothese stelt dat de ongelijkheden in gezondheid voortvloeien uit ongelijke gedragingen die verband houden met gezondheid (roken, lichaamsbeweging, voeding …). Doordat er ongelijkheden zijn in de materiële en psychosociale situatie, worden deze gezondheidsgedragingen ook ongelijk verspreid. De gezondheidsgedragingen worden steeds minder gezien als individuele handelwijzen
die los staan van de sociale context en te maken hebben met zelfbeheersing, de
eigen wil en zelfcontrole. Sommige epidemiologen beschouwen deze gedragingen
als voorbestemd, door wat men ‘Bourdieu habitus’[1] noemt.
Bron:
DeBoyser, K. & Vranken, J. (2008). Naar een doelmatigere armoedebestrijding. Een verkenning van de paden naar een meer planmatig en evidence-based armoedebestrijdingsbeleid in Vlaanderen. OASeS – Universiteit Antwerpen.
[1]
Habitus: het geheel van gesteldheden en actieschema’s die het individu verwerft in de loop van zijn/haar sociale beleving. Deze is gebaseerd op de sociale omstandigheden en sociale positie van de individuen en leidt tot handelswijzen die samen de leefgewoontes en gezondheidsgedragingen vormen. De habitus beïnvloedt dus alles wat het geslacht, de klasse en de etnische eigenheden uitdrukt. Zo ook is het de habitus die de schadelijke gezondheidsgedragingen zoals roken of overgewicht meer aanvaardbaar zou kunnen maken in bepaalde socio-economische categorieën.
Abonneren op:
Posts (Atom)