Reflectie
Toen ik de opdracht las, wist ik niet goed waar te beginnen. Vanzelfsprekend ben ik
dan begonnen met het boek ‘De zorg en de Staat’ van Abram de Swaan te lezen. Ik moet bekennen, makkelijk vond ik dit niet. Het boek is nogal ingewikkeld geschreven, naar mijn mening. Ook moest ik dikwijls woorden gaan opzoeken dewelke ik niet verstond.
Ik moet toegeven, geschiedenis en dergelijke zijn niet mijn favoriete vakken. Het boek vond ik wel oké, maar persoonlijk ook niet super interessant. Daarom was ik ook blij dat de opdracht een individuele inbreng vereiste. Zo kon ik mijn interessegebieden wat zelf kiezen, en heb ik zo zelf meer gehad aan de opdracht zelf.
Anderzijds vind ik dat het boek wel veel topics aanhaalt die het sociaal werk aanbelangen, zoals de verzorgingsstaat, sociale zekerheid, armenzorg, onderwijs enzoverder. Deze kennis van de geschiedenis van deze hoofdstukken kunnen zeker nog gebruikt worden in een ander vak of in het werkveld.
Eerlijker wijs ben ik veel te laat begonnen aan de opdracht. Ik wist niet echt hoe ik er moest aan beginnen, heb heel veel tijd gestoken in het lezen van het boek, aangezien ik het moeilijke literatuur vond. Uiteindelijk zal mijn opdracht toch nog op tijd klaar zijn, dit is het voornaamste.
Als laatste wil ik mij nog verontschuldigen voor de lay-out van de hoofdstukken, in de linker balk. Ik slaag er niet in om deze duidelijk horizontaal te plaatsen. Mijn excuses.
Verder wens ik u –hopelijk- veel leesplezier met mijn blog.
Els Decoodt
Zorg en staat
donderdag 19 april 2012
Het kastenstelsel in India
Wanneer men in Europa vraagt ‘hoe heet jij?’ zal deze persoon niets vertellen over zijn of haar achtergrond. Hij of zij zou zowel vuilnisman, burgemeester of sociaal werker kunnen zijn. Ook de achternaam geeft niets van de positie prijs.
In de Hindoeïstische cultuur in India ligt dit heel anders, daar zegt het antwoord veel meer. De naam van een persoon vertelt daar net heel veel van zijn of haar achtergrond. Bij verschillende kasten horen verschillende achternamen. Wanneer een persoon daar zijn naam vertelt, weet men vrijwel meteen waar die persoon vandaan komst, tot welke kaste hij behoort en daarmee ook wel beroep hij waarschijnlijk uitoefent. Mensen vragen dit vooral om te weten of deze persoon hoger of lager is dan hij of zij.
Het kastensysteem gaat terug naar 3000 jaar geleden tijdens de Indusbeschaving. Steden waren toen opgedeeld in verschillende wijken waarin mensen woonden die eenzelfde ambacht uitoefenden. Wanneer kinderen geboren werden bij een bakker, gingen mensen er van uit dat het kind dit later ook zou doen. De levensweg van het kind lag dus bij de geboorte al gedeeltelijk vast. Het kastenstelsel wordt gekenmerkt door ongelijkheid. Ondanks deze ongelijkheid hebben ze toch tegelijkertijd een nauwe samenhang. Voor elke job bestaat er een aparte kaste of subkaste. De mensen van hogere kasten laten mensen van de laagste kaste niet verhongeren. Die zekerheid staat vast in deze samenleving. Daarnaast werkt dit natuurlijk ook een afhankelijkheidspatroon in de hand.
Het kastenstelsel bestaat uit vier hoofdkasten:
1. Brahmanen (priesters)
2. Kshatriyas (krijgers)
3. Vaisjas (handelaren en boeren)
4. Sjudras (handwerkslieden)
Naast deze 4 hoofdkasten zijn er ook nog een grote groep mensen die tot geen enkele kaste behoren: de kastelozen of de onaanraakbaren. Deze groep mensen zijn voornamelijk bezig met het maken van trommels voor talloze muziekkorpsen in de straat. Dit soort werk kan alleen maar door de kastelozen gedaan worden, omdat de vellen voor de trommels van koeienhuid gemaakt worden. Voor een vrome Hindoe is dat werk ondenkbaar. Koeien zijn in het Hindoeïstische
geloof immers heilig.
In het kastenstelsel zijn drie hindoebegrippen heilig:
1. Wedergeboorte:
In het Hindoeïsme geloof men dat men na de dood opnieuw geboren wordt. De ziel van de persoon komt in een ander gedaan terug op de aarde. Wanneer iemand heel goed geleefd heeft, komt de ziel telkens in een hogere kaste terecht om zo uiteindelijk te bevrijd te worden van het aardse leven en één te worden met God.
2. Karma:
Dit begrip geeft aan dat een Hindoe als resultaat van zijn daden in zijn voorgaande leven in een
bepaalde kaste geboren werd. Zo kun je geboren worden in een hogere kaste als de som van de goede en slechte daden van je vorig leven.
3. Dharma:
Dit begrip legt er de nadruk op dat de Hindoe zijn plaats in een bepaalde kaste zonder protest moet accepteren. Als je de gevestigde gewoontes, regels en plichten van je familie, kaste, sekse, beroep en leeftijd nakomt, leef je volgens de Dharme.
Wanneer men het kastenstelsel nu bekijkt is er duidelijk een onderscheid te maken tussen twee verschillende gebieden. Aan de ene kant staan de steden, aan de andere kant het platteland. Dit is zo omdat de steden een grotere ontwikkeling ondergaan hebben dan het platteland.
Bronnen:
Landelijke India werkgroep. (1984). India: Oogst van armoede.
Moore, Gilian., & Gestel, van, Jan. (1986). Bibliotheek der landen: India.
Nagarajan, V. (1997). Foundations of Hindu economic state.
Wanneer men in Europa vraagt ‘hoe heet jij?’ zal deze persoon niets vertellen over zijn of haar achtergrond. Hij of zij zou zowel vuilnisman, burgemeester of sociaal werker kunnen zijn. Ook de achternaam geeft niets van de positie prijs.
In de Hindoeïstische cultuur in India ligt dit heel anders, daar zegt het antwoord veel meer. De naam van een persoon vertelt daar net heel veel van zijn of haar achtergrond. Bij verschillende kasten horen verschillende achternamen. Wanneer een persoon daar zijn naam vertelt, weet men vrijwel meteen waar die persoon vandaan komst, tot welke kaste hij behoort en daarmee ook wel beroep hij waarschijnlijk uitoefent. Mensen vragen dit vooral om te weten of deze persoon hoger of lager is dan hij of zij.
Het kastensysteem gaat terug naar 3000 jaar geleden tijdens de Indusbeschaving. Steden waren toen opgedeeld in verschillende wijken waarin mensen woonden die eenzelfde ambacht uitoefenden. Wanneer kinderen geboren werden bij een bakker, gingen mensen er van uit dat het kind dit later ook zou doen. De levensweg van het kind lag dus bij de geboorte al gedeeltelijk vast. Het kastenstelsel wordt gekenmerkt door ongelijkheid. Ondanks deze ongelijkheid hebben ze toch tegelijkertijd een nauwe samenhang. Voor elke job bestaat er een aparte kaste of subkaste. De mensen van hogere kasten laten mensen van de laagste kaste niet verhongeren. Die zekerheid staat vast in deze samenleving. Daarnaast werkt dit natuurlijk ook een afhankelijkheidspatroon in de hand.
Het kastenstelsel bestaat uit vier hoofdkasten:
1. Brahmanen (priesters)
2. Kshatriyas (krijgers)
3. Vaisjas (handelaren en boeren)
4. Sjudras (handwerkslieden)
Naast deze 4 hoofdkasten zijn er ook nog een grote groep mensen die tot geen enkele kaste behoren: de kastelozen of de onaanraakbaren. Deze groep mensen zijn voornamelijk bezig met het maken van trommels voor talloze muziekkorpsen in de straat. Dit soort werk kan alleen maar door de kastelozen gedaan worden, omdat de vellen voor de trommels van koeienhuid gemaakt worden. Voor een vrome Hindoe is dat werk ondenkbaar. Koeien zijn in het Hindoeïstische
geloof immers heilig.
In het kastenstelsel zijn drie hindoebegrippen heilig:
1. Wedergeboorte:
In het Hindoeïsme geloof men dat men na de dood opnieuw geboren wordt. De ziel van de persoon komt in een ander gedaan terug op de aarde. Wanneer iemand heel goed geleefd heeft, komt de ziel telkens in een hogere kaste terecht om zo uiteindelijk te bevrijd te worden van het aardse leven en één te worden met God.
2. Karma:
Dit begrip geeft aan dat een Hindoe als resultaat van zijn daden in zijn voorgaande leven in een
bepaalde kaste geboren werd. Zo kun je geboren worden in een hogere kaste als de som van de goede en slechte daden van je vorig leven.
3. Dharma:
Dit begrip legt er de nadruk op dat de Hindoe zijn plaats in een bepaalde kaste zonder protest moet accepteren. Als je de gevestigde gewoontes, regels en plichten van je familie, kaste, sekse, beroep en leeftijd nakomt, leef je volgens de Dharme.
Wanneer men het kastenstelsel nu bekijkt is er duidelijk een onderscheid te maken tussen twee verschillende gebieden. Aan de ene kant staan de steden, aan de andere kant het platteland. Dit is zo omdat de steden een grotere ontwikkeling ondergaan hebben dan het platteland.
Bronnen:
Landelijke India werkgroep. (1984). India: Oogst van armoede.
Moore, Gilian., & Gestel, van, Jan. (1986). Bibliotheek der landen: India.
Nagarajan, V. (1997). Foundations of Hindu economic state.
Armenhuizen
De stichting van het eerste armenhuis dateert van in het jaar 1596. De was gelegen in Amsterdam en kreeg de naam ‘Rasphuis’. De term ‘armenhuis’ werd zonder onderscheid gebruikt voor een scala van instituties, van de minuscule Engelse plattelandsasielen in de achttiende eeuw tot het
gigantische Parijse Hôpital Général rond 1850. De term refereert meer aan de verwachtingen van de stichters dan aan de omstandigheden van de bewoners. De meeste armenhuizen werden bevolkt door mensen die om de een of andere reden voor onderdak of opsluiting in aanmerking kwamen: krankzinnigen, kleine criminelen, gemakzuchtige rijkeluiszoontjes die discipline nodig hadden, wezen, weduwen, bejaarden, zieken, invaliden enzovoort. De gezonde armen behoorden dan ook tot de minderheid. Dezen deden dan ook hun uiterste best om buiten het armenhuis te blijven, waardoor deze met de minst arbeidsongeschikten bleef zitten. In deze huizen speelden vooral gebed, godsdienstonderricht en tucht de voornaamste rol. De lichamelijk gezonde bedelaars en zwervers bleven liever buiten. Dit was nochtans het doelpubliek bij de opstart van de armenhuizen. De zwevers bleven liever op straat leven, want als ze toevlucht zochten tot het
armenhuis werden ze door de regenten gemeden gezien nauwlettend toezicht en strenge veiligheidsmaatregelen nodig waren om te verhinderen dat ze zouden ontsnappen.
Armenhuizen die in de instelling zelf productieve arbeid organiseerden, waren eerder een uitzondering dan een regel. Achteraf gezien is het niet verbazend dat deze instituties zo dikwijls de verwachtingen van hun stichters beschaamden. Dagelijks werden mensen binnen gebracht die het meest in nood waren en het minst tegen de opname verzetten, terwijl diegenen die het meest
geschikt waren om te werken liever buiten bleven en daar dan ook het grootste gevaar vormden. In de zeventiende eeuw zette de ene gemeente na de andere met hooggespannen verwachtingen een armenhuis op poten. Dezen waren een goed voorbeeld van ‘bewuste culturele diffusie’, van de weloverwogen overname van een project van de ene gemeenschap door andere: het Amsterdamse project werd overgenomen door gemeenten in Nederland, Wenen en Parijs en beïnvloedde op zijn beurt de Duitse, Nederlandse en Spaanse plannen.
Toen de Industriële revolutie eenmaal op gang was en de nationale regeringen in staat waren effectief toezicht te houden op de verbindingswegen en criminelen, bedelaars en vagebonden nauwkeurig te registreren, lukte het om ook gezonde armen te verwelkomen en tewerk te stellen. Toen leek het armenhuis al meer op een strafinrichting, een opvoedingsgesticht om beginnende en recidiverende leeglopers de discipline van de arbeid bij te brengen. De traditie van het armenhuis werd opgevolgd door velerlei gespecialiseerde instituties zoals weeshuizen, bejaardenhuizen, ziekenhuizen, tuchtscholen, krankzinnigengestichten, kraaminrichtingen en gevangenissen.
De verwachtingen dat werkloze armen tewerkgesteld konden worden in een zichzelf bekostigend systeem heeft grote gevolgen gehad. De methode leek een uitweg te bieden uit het dilemma van uitsluiting of ondersteuning dat de betrekkelijk autonome gemeenschappen in het moderne Europa tot dan toe verlamd had. Gezien de bedelaars en vagebonden terecht konden in het armenhuis, waren de gemeenten nu eerder ook genegen om aanzienlijke getallen van deze doelgroep toe te laten.
Uiteindelijk ontstond er een centrale macht met een internet samenhang en externe connecties om een beleid te ontwikkelen en voor het hele rijk toe te passen. De staat was bij machte het regionale en zelfs nationale karakter van de problemen als dat van de landloperij in te zien en een regeling uit te vaardigen die bedoeld was om de openbare veiligheid te waarborgen.
Bronnen:
www.dbnl.org/tekst
www.zeelandnet.net
De stichting van het eerste armenhuis dateert van in het jaar 1596. De was gelegen in Amsterdam en kreeg de naam ‘Rasphuis’. De term ‘armenhuis’ werd zonder onderscheid gebruikt voor een scala van instituties, van de minuscule Engelse plattelandsasielen in de achttiende eeuw tot het
gigantische Parijse Hôpital Général rond 1850. De term refereert meer aan de verwachtingen van de stichters dan aan de omstandigheden van de bewoners. De meeste armenhuizen werden bevolkt door mensen die om de een of andere reden voor onderdak of opsluiting in aanmerking kwamen: krankzinnigen, kleine criminelen, gemakzuchtige rijkeluiszoontjes die discipline nodig hadden, wezen, weduwen, bejaarden, zieken, invaliden enzovoort. De gezonde armen behoorden dan ook tot de minderheid. Dezen deden dan ook hun uiterste best om buiten het armenhuis te blijven, waardoor deze met de minst arbeidsongeschikten bleef zitten. In deze huizen speelden vooral gebed, godsdienstonderricht en tucht de voornaamste rol. De lichamelijk gezonde bedelaars en zwervers bleven liever buiten. Dit was nochtans het doelpubliek bij de opstart van de armenhuizen. De zwevers bleven liever op straat leven, want als ze toevlucht zochten tot het
armenhuis werden ze door de regenten gemeden gezien nauwlettend toezicht en strenge veiligheidsmaatregelen nodig waren om te verhinderen dat ze zouden ontsnappen.
Armenhuizen die in de instelling zelf productieve arbeid organiseerden, waren eerder een uitzondering dan een regel. Achteraf gezien is het niet verbazend dat deze instituties zo dikwijls de verwachtingen van hun stichters beschaamden. Dagelijks werden mensen binnen gebracht die het meest in nood waren en het minst tegen de opname verzetten, terwijl diegenen die het meest
geschikt waren om te werken liever buiten bleven en daar dan ook het grootste gevaar vormden. In de zeventiende eeuw zette de ene gemeente na de andere met hooggespannen verwachtingen een armenhuis op poten. Dezen waren een goed voorbeeld van ‘bewuste culturele diffusie’, van de weloverwogen overname van een project van de ene gemeenschap door andere: het Amsterdamse project werd overgenomen door gemeenten in Nederland, Wenen en Parijs en beïnvloedde op zijn beurt de Duitse, Nederlandse en Spaanse plannen.
Toen de Industriële revolutie eenmaal op gang was en de nationale regeringen in staat waren effectief toezicht te houden op de verbindingswegen en criminelen, bedelaars en vagebonden nauwkeurig te registreren, lukte het om ook gezonde armen te verwelkomen en tewerk te stellen. Toen leek het armenhuis al meer op een strafinrichting, een opvoedingsgesticht om beginnende en recidiverende leeglopers de discipline van de arbeid bij te brengen. De traditie van het armenhuis werd opgevolgd door velerlei gespecialiseerde instituties zoals weeshuizen, bejaardenhuizen, ziekenhuizen, tuchtscholen, krankzinnigengestichten, kraaminrichtingen en gevangenissen.
De verwachtingen dat werkloze armen tewerkgesteld konden worden in een zichzelf bekostigend systeem heeft grote gevolgen gehad. De methode leek een uitweg te bieden uit het dilemma van uitsluiting of ondersteuning dat de betrekkelijk autonome gemeenschappen in het moderne Europa tot dan toe verlamd had. Gezien de bedelaars en vagebonden terecht konden in het armenhuis, waren de gemeenten nu eerder ook genegen om aanzienlijke getallen van deze doelgroep toe te laten.
Uiteindelijk ontstond er een centrale macht met een internet samenhang en externe connecties om een beleid te ontwikkelen en voor het hele rijk toe te passen. De staat was bij machte het regionale en zelfs nationale karakter van de problemen als dat van de landloperij in te zien en een regeling uit te vaardigen die bedoeld was om de openbare veiligheid te waarborgen.
Bronnen:
www.dbnl.org/tekst
www.zeelandnet.net
De heksenwaan, voeger en nu.
Wat is een heks nu precies? Vrouwen van wie men denkt, of die zelf aangeven dat ze magische krachten bezitten, worden een heks genoemd. Volgens de volksoverlevering gaan heksen in het zwart gekleed, vliegen ze op een bezemsteel, brouwen ze magische drankjes en hebben ze een helper, vaak in de gedaante van een kat. Mocht hier iets van klopen, dan zouden we heksen gemakkelijk kunnen herkennen, maar zeker de moderne heks voldoet absoluut niet aan dit profiel. Vroeger werden veel vrouwen als heks vervolg, alleen al omdat ze ongetrouwd bleven of met kruiden zieken genazen.
De bron van de eeuwenoude geschiedenis over heksen begint bij magie. In vroegere tijden werd alles wat men niet kon verklaren aan magie toegewezen. Magie staat in zeker zin tegenover de wetenschap en is gebaseerd op gevoel en dualiteit. Volgens de overlevering hebben beoefenaars van magie drie doelen, namelijk het manipuleren van liefde, de eeuwige jeugd en genezing en bezwering.
Tussen 1500 en 1700 heerste er in West Europa een grote angst voor heidenen en ongelovigen. De kerk zette al zijn macht en middelen in om zijn gelovigen te zuiveren van volksgeloof en heidense gebruiken. Als snel ontstond er een heksenwaan, die eeuwen lang zou duren. Er werden boeken gemaakt met beschrijvingen van alle vormen van magische praktijken, foltertechnieken en heksenproeven. Deze boeken werden gehanteerd bij beschuldiging van hekserij.
Dit boek zorgde er dan ook onrechtstreeks voor dat meer dan 10 miljoen vrouwen en mannen gefolterd, verbrand of opgehangen werden. Heksen werden gezien als oorzaak van de grote kindersterfte omdat zij verbonden waren met de duivel en een pact gesloten hadden waardoor ze ongedoopte kinderen moesten offeren. Zelfs wanneer de oogst mislukte werd al snel de beschuldigende vinger uitgestoken naar de heksen.
In 1486 begon de razzia op heksen pas goed. Onschuldige kruidenvrouwtjes werden uren lang gefolterd met duimschroeven en allerhande werktuigen. Dit tot ze bekenden waarna ze in het openbaar werden opgehangen, onthoofd of verbrand werden.
Tegenwoordig ziet men terug een opkomst van de hekserij, waardoor heksen terug wat in de belangstelling staan. Mensen staan er, in tegenstelling tot vroeger niet meer zo sceptisch over. De moderne heks komt voor in alle lagen van de bevolking. Meestal wordt de term ‘heks’ dan ook niet meer gebruikt. Veel mensen vinden kracht in deze levensvisie omdat ze het vertrouwen verloren hebben in kerkelijke instanties en moderne goeroes. Dit ongeacht hun beroep of status.
Hoewel er een mystieke sfeer omheen hangt, zijn de moderne heksen geen rare mensen die denken dat ze kunnen toveren. Het is een soort kunstvorm waarin spirituele en paranormale gaven gebruikt worden met als doel zichzelf te ontplooien en anderen te helpen.
De moderne hekserij krijg hun huidige vorm rond de jaren 1940. Het is een inwijdingsweg, een mysteriereligie die de ingewijde naar diepe eenwording met de natuurkrachten en de krachten in de eigen psyché leidt, waardoor een geestelijke transformatie van de mens bewerkstelligd wordt.
‘Wicca’ is dan ook een van de belangrijkste tradities binnen het moderne Paganisme. Het is zowel een religie als een Kunde. Als religie heeft het tot doel om het individu en de groep in harmonie te brengen met goddelijke creatieve krachten in de Kosmos en de manifestatie daarvan op alle niveaus. Als kundeheeft het tot doel om praktische resultaten te bereiken met geestelijke krachten, met een goede, nuttige en genezende intentie. Beiden zijn kenmerkend voor de Wicca: de natuur-gerichte houding, de autonomie van kleine groepen zonder kloof tussen priester en ‘kudde’, en de grondgedachte van een creatieve polariteit op alle niveaus, van Godin en God
tot priesters en priester.
Wicca wordt ook wel de ‘Craft of the Wise’ genoemtd, of kortweg de ‘Craft’. Diegenen die ingewijd willen worden moeten tenminste 18 jaar zijn. De Wicca wordt enkel maar gegeven aan diegenen die hebben bewezen dat ze de inwijding waardig zijn. De weg van de Wicca is een pad van magie en liefde, de beroering van de diepten van de ziel, het samen delen in de mysteriën van de Natuur, en het samen zijn met de Oude Goden.
Bronnen:
Janet and Stewart Farrar, Eight Sabbats For Witches, Robert Hale, London, 1981
Fernand Vanhemelryck, Het gevecht met de duivel, Heksen in Vlaanderen, Davidsfonds Leuven, 1999, 338 p. ISBN 90 5826 031 3
www.skepsis.nl/heksen.html
www.mens-en-samenleving.infonu.nl/religie/10827-moderne-hekserij.html
http://www.wikipedia.be/
Wat is een heks nu precies? Vrouwen van wie men denkt, of die zelf aangeven dat ze magische krachten bezitten, worden een heks genoemd. Volgens de volksoverlevering gaan heksen in het zwart gekleed, vliegen ze op een bezemsteel, brouwen ze magische drankjes en hebben ze een helper, vaak in de gedaante van een kat. Mocht hier iets van klopen, dan zouden we heksen gemakkelijk kunnen herkennen, maar zeker de moderne heks voldoet absoluut niet aan dit profiel. Vroeger werden veel vrouwen als heks vervolg, alleen al omdat ze ongetrouwd bleven of met kruiden zieken genazen.
De bron van de eeuwenoude geschiedenis over heksen begint bij magie. In vroegere tijden werd alles wat men niet kon verklaren aan magie toegewezen. Magie staat in zeker zin tegenover de wetenschap en is gebaseerd op gevoel en dualiteit. Volgens de overlevering hebben beoefenaars van magie drie doelen, namelijk het manipuleren van liefde, de eeuwige jeugd en genezing en bezwering.
Tussen 1500 en 1700 heerste er in West Europa een grote angst voor heidenen en ongelovigen. De kerk zette al zijn macht en middelen in om zijn gelovigen te zuiveren van volksgeloof en heidense gebruiken. Als snel ontstond er een heksenwaan, die eeuwen lang zou duren. Er werden boeken gemaakt met beschrijvingen van alle vormen van magische praktijken, foltertechnieken en heksenproeven. Deze boeken werden gehanteerd bij beschuldiging van hekserij.
Dit boek zorgde er dan ook onrechtstreeks voor dat meer dan 10 miljoen vrouwen en mannen gefolterd, verbrand of opgehangen werden. Heksen werden gezien als oorzaak van de grote kindersterfte omdat zij verbonden waren met de duivel en een pact gesloten hadden waardoor ze ongedoopte kinderen moesten offeren. Zelfs wanneer de oogst mislukte werd al snel de beschuldigende vinger uitgestoken naar de heksen.
In 1486 begon de razzia op heksen pas goed. Onschuldige kruidenvrouwtjes werden uren lang gefolterd met duimschroeven en allerhande werktuigen. Dit tot ze bekenden waarna ze in het openbaar werden opgehangen, onthoofd of verbrand werden.
Tegenwoordig ziet men terug een opkomst van de hekserij, waardoor heksen terug wat in de belangstelling staan. Mensen staan er, in tegenstelling tot vroeger niet meer zo sceptisch over. De moderne heks komt voor in alle lagen van de bevolking. Meestal wordt de term ‘heks’ dan ook niet meer gebruikt. Veel mensen vinden kracht in deze levensvisie omdat ze het vertrouwen verloren hebben in kerkelijke instanties en moderne goeroes. Dit ongeacht hun beroep of status.
Hoewel er een mystieke sfeer omheen hangt, zijn de moderne heksen geen rare mensen die denken dat ze kunnen toveren. Het is een soort kunstvorm waarin spirituele en paranormale gaven gebruikt worden met als doel zichzelf te ontplooien en anderen te helpen.
De moderne hekserij krijg hun huidige vorm rond de jaren 1940. Het is een inwijdingsweg, een mysteriereligie die de ingewijde naar diepe eenwording met de natuurkrachten en de krachten in de eigen psyché leidt, waardoor een geestelijke transformatie van de mens bewerkstelligd wordt.
‘Wicca’ is dan ook een van de belangrijkste tradities binnen het moderne Paganisme. Het is zowel een religie als een Kunde. Als religie heeft het tot doel om het individu en de groep in harmonie te brengen met goddelijke creatieve krachten in de Kosmos en de manifestatie daarvan op alle niveaus. Als kundeheeft het tot doel om praktische resultaten te bereiken met geestelijke krachten, met een goede, nuttige en genezende intentie. Beiden zijn kenmerkend voor de Wicca: de natuur-gerichte houding, de autonomie van kleine groepen zonder kloof tussen priester en ‘kudde’, en de grondgedachte van een creatieve polariteit op alle niveaus, van Godin en God
tot priesters en priester.
Wicca wordt ook wel de ‘Craft of the Wise’ genoemtd, of kortweg de ‘Craft’. Diegenen die ingewijd willen worden moeten tenminste 18 jaar zijn. De Wicca wordt enkel maar gegeven aan diegenen die hebben bewezen dat ze de inwijding waardig zijn. De weg van de Wicca is een pad van magie en liefde, de beroering van de diepten van de ziel, het samen delen in de mysteriën van de Natuur, en het samen zijn met de Oude Goden.
Bronnen:
Janet and Stewart Farrar, Eight Sabbats For Witches, Robert Hale, London, 1981
Fernand Vanhemelryck, Het gevecht met de duivel, Heksen in Vlaanderen, Davidsfonds Leuven, 1999, 338 p. ISBN 90 5826 031 3
www.skepsis.nl/heksen.html
www.mens-en-samenleving.infonu.nl/religie/10827-moderne-hekserij.html
http://www.wikipedia.be/
Het Kapitalisme
Overal waar men heen kijkt, ziet men hetzelfde beeld. Files aan de lokketten van het OCMW, laagbetaalde deeltijdse jobs, shopping-centers waar ooit fabrieken stonden. Mensen doen alles om het hoofd boven water te kunnen houden. Dit is Europa in de 21e eeuw.
Het kapitalisme is een politiek-economisch systeem dat gebaseerd is op het bezit van het productiemiddel kapitaal. Het ideaaltype van het kapitalisme heeft vier belangrijke kenmerken. Dit zijn de nadruk op het individu en privé-eigendom, het winststreven of de kapitaalaccumulatie, het marktmechanisme en de ondernemingsgewijze productie.
Het draagt bij aan de economische groei, maar over de wenselijkheid van de ontwikkeling en verdeling zijn de meningen verdeeld. Het kapitalisme vindt haar oorsprong terug in het vroegmoderne West-Europa, waar het ontstond uit het feodale systeem in de Late Middeleeuwen.
De arbeidsverdeling zette in deze periode steeds verder door, wat een proces van individualisering in gang zette, versterkt door de overgang van een agrarische naar een stedelijke samenleving.
Naast het vroegkapitalisme ontstond ook het mercantilisme. Tijden de negentiende eeuw gold het inzicht dat vrijhandel zowel als absolute als comparatieve voordelen bood en verminderde invloed van het mercantilisme om plaats te maken voor het economisch liberalisme. Hier stond de vrijheid van het individu centraal, aangezien het nastreven van eigenbelang de motor van de welvaart van de hele samenleving zou zijn. Om deze vrijheid in economisch handelen te bereiken, moest de staat zich inperken tot de garantie daarvan en op het vlak van productie en handel een politiek voeren van laisser faire.
Het kapitalisme is gebaseerd op één voorname steunpilaar: het privé-eigendom van de productiemiddelen (de bedrijven, de arbeidersplaatsen en het financiële systeem).
Kapitalisten verkrijgen hun inkomen uit dit eigendom, door winst uit hun investeringen, in plaats van door hun arbeidskracht te verkopen zoals de arbeider. Sommige delen van de economie kunnen publiek eigendom zijn, maar de grote privébedrijven vormen het belangrijkste deel.
Het privé-eigendom begon haar levensloop niet met het kapitalisme: Zowel de slavenmaatschappij als het feodalisme waren op het privé-eigendom gebaseerd. Toen werden ook gewone mensen uitgebuit. Slapen werken enkel voor voedsel en onderdak; lijfeigenen werkten een deel van de week op de landgoederen van de landheer of gaven een deel van hun oogst aan hem (of beide). De manier waarop arbeiders onder het kapitalisme uitgebuit worden, is anders. De lijfeigene had meestal wel een stukje land in bezig of had er tenminste rechten op. Voedsel en andere levensnoodzakelijkheden werden meestal door henzelf gemaakt. De arbeiders van vandaag kunnen hun eigen voedsel niet meer kweken of hun eigen kleren maken. Ze worden gedwongen voor een baas te werken om de eindjes aan elkaar te knopen. Daarom noemde Marx het kapitalisme de ‘veralgemeende warenproductie’. Dat is het idee van het ‘marktsysteem’: alles
staat te koop. Men noemt het de ‘vrije markt’. Er is echter niets vrij aan de markt als je een laag-betaalde job hebt. En waar is er vrijheid in een wereld waar alles opgedeeld is tussen een aantal grote bedrijven?
Wanneer men kijkt naar het inkomen en de levensstijl van grote bazen en de rijken, kan men slechts tot één conclusie leiden. België is geen arm land. Wie heeft al deze rijkdom gecreëerd? De bron van alle rijkdom in het kapitalistische maatschappij is de arbeid van de arbeidersklasse. Deze bestaan niet enkel uit fabrieksarbeiders die handenarbeid verrichten; het is de grote meerderheid van de bevolking die hun inkomen verkrijgen door hun arbeidskrachten te verkopen. Arbeiders hebben geen kapitaal of investeringen zoals de kapitalisten. Ze kunnen dikwijls met moeite de eindjes aan elkaar knopen.
Ook de werklozen en deeltijdse arbeiders behoren nog steeds tot de arbeidersklasse. Het is de fout van het systeem dat ze het recht op werk niet verkrijgen. Het is de arbeid die zaken hun waarde geeft in de marxistische zin van het woord. De natuurlijk levert de grondstoffen, het water, de lucht … Echter, we kunnen de meerderheid van de natuurlijke bronnen niet rechtstreeks gebruiken. Ze moeten eerst bewerkt worden om ze voor ons nuttig te maken. Hier kan men nogmaals aantonen dat arbeiders niet weg te denken zijn uit ons systeem.
Tegenwoordig is het kapitalisme over vrijwel de gehele wereld het vigerende economische systeem en vorm het steeds sterker een mondiale markt. Op de vraag in hoeverre het kapitalisme – de vrije markt – als maatgevend moet worden beschouwd voor de verdeling van economische macht wordt verschillend gedacht. De meest principiële kritiek op het kapitalisme komt tegenwoordig uit de hoek van het andersglobalisme.
Bronnen:
Karl Bachinger, Herbert Matis (2008): Soziookonomische Entwicklung: Konzeptionen und Analysen von Adam Smith bis Amartya K. Sen. Band 3074, UTB 2008, ISBN 978-3-8252-2074-6, p. 77
www.wikipedia.be
http://www.marxisme.be/nl/index.php?option=com_content&view=article&id=9&Itemid=2
Overal waar men heen kijkt, ziet men hetzelfde beeld. Files aan de lokketten van het OCMW, laagbetaalde deeltijdse jobs, shopping-centers waar ooit fabrieken stonden. Mensen doen alles om het hoofd boven water te kunnen houden. Dit is Europa in de 21e eeuw.
Het kapitalisme is een politiek-economisch systeem dat gebaseerd is op het bezit van het productiemiddel kapitaal. Het ideaaltype van het kapitalisme heeft vier belangrijke kenmerken. Dit zijn de nadruk op het individu en privé-eigendom, het winststreven of de kapitaalaccumulatie, het marktmechanisme en de ondernemingsgewijze productie.
Het draagt bij aan de economische groei, maar over de wenselijkheid van de ontwikkeling en verdeling zijn de meningen verdeeld. Het kapitalisme vindt haar oorsprong terug in het vroegmoderne West-Europa, waar het ontstond uit het feodale systeem in de Late Middeleeuwen.
De arbeidsverdeling zette in deze periode steeds verder door, wat een proces van individualisering in gang zette, versterkt door de overgang van een agrarische naar een stedelijke samenleving.
Naast het vroegkapitalisme ontstond ook het mercantilisme. Tijden de negentiende eeuw gold het inzicht dat vrijhandel zowel als absolute als comparatieve voordelen bood en verminderde invloed van het mercantilisme om plaats te maken voor het economisch liberalisme. Hier stond de vrijheid van het individu centraal, aangezien het nastreven van eigenbelang de motor van de welvaart van de hele samenleving zou zijn. Om deze vrijheid in economisch handelen te bereiken, moest de staat zich inperken tot de garantie daarvan en op het vlak van productie en handel een politiek voeren van laisser faire.
Het kapitalisme is gebaseerd op één voorname steunpilaar: het privé-eigendom van de productiemiddelen (de bedrijven, de arbeidersplaatsen en het financiële systeem).
Kapitalisten verkrijgen hun inkomen uit dit eigendom, door winst uit hun investeringen, in plaats van door hun arbeidskracht te verkopen zoals de arbeider. Sommige delen van de economie kunnen publiek eigendom zijn, maar de grote privébedrijven vormen het belangrijkste deel.
Het privé-eigendom begon haar levensloop niet met het kapitalisme: Zowel de slavenmaatschappij als het feodalisme waren op het privé-eigendom gebaseerd. Toen werden ook gewone mensen uitgebuit. Slapen werken enkel voor voedsel en onderdak; lijfeigenen werkten een deel van de week op de landgoederen van de landheer of gaven een deel van hun oogst aan hem (of beide). De manier waarop arbeiders onder het kapitalisme uitgebuit worden, is anders. De lijfeigene had meestal wel een stukje land in bezig of had er tenminste rechten op. Voedsel en andere levensnoodzakelijkheden werden meestal door henzelf gemaakt. De arbeiders van vandaag kunnen hun eigen voedsel niet meer kweken of hun eigen kleren maken. Ze worden gedwongen voor een baas te werken om de eindjes aan elkaar te knopen. Daarom noemde Marx het kapitalisme de ‘veralgemeende warenproductie’. Dat is het idee van het ‘marktsysteem’: alles
staat te koop. Men noemt het de ‘vrije markt’. Er is echter niets vrij aan de markt als je een laag-betaalde job hebt. En waar is er vrijheid in een wereld waar alles opgedeeld is tussen een aantal grote bedrijven?
Wanneer men kijkt naar het inkomen en de levensstijl van grote bazen en de rijken, kan men slechts tot één conclusie leiden. België is geen arm land. Wie heeft al deze rijkdom gecreëerd? De bron van alle rijkdom in het kapitalistische maatschappij is de arbeid van de arbeidersklasse. Deze bestaan niet enkel uit fabrieksarbeiders die handenarbeid verrichten; het is de grote meerderheid van de bevolking die hun inkomen verkrijgen door hun arbeidskrachten te verkopen. Arbeiders hebben geen kapitaal of investeringen zoals de kapitalisten. Ze kunnen dikwijls met moeite de eindjes aan elkaar knopen.
Ook de werklozen en deeltijdse arbeiders behoren nog steeds tot de arbeidersklasse. Het is de fout van het systeem dat ze het recht op werk niet verkrijgen. Het is de arbeid die zaken hun waarde geeft in de marxistische zin van het woord. De natuurlijk levert de grondstoffen, het water, de lucht … Echter, we kunnen de meerderheid van de natuurlijke bronnen niet rechtstreeks gebruiken. Ze moeten eerst bewerkt worden om ze voor ons nuttig te maken. Hier kan men nogmaals aantonen dat arbeiders niet weg te denken zijn uit ons systeem.
Tegenwoordig is het kapitalisme over vrijwel de gehele wereld het vigerende economische systeem en vorm het steeds sterker een mondiale markt. Op de vraag in hoeverre het kapitalisme – de vrije markt – als maatgevend moet worden beschouwd voor de verdeling van economische macht wordt verschillend gedacht. De meest principiële kritiek op het kapitalisme komt tegenwoordig uit de hoek van het andersglobalisme.
Bronnen:
Karl Bachinger, Herbert Matis (2008): Soziookonomische Entwicklung: Konzeptionen und Analysen von Adam Smith bis Amartya K. Sen. Band 3074, UTB 2008, ISBN 978-3-8252-2074-6, p. 77
www.wikipedia.be
http://www.marxisme.be/nl/index.php?option=com_content&view=article&id=9&Itemid=2
Cholera
De infectieziekte ‘Cholera’ wordt veroorzaakt door de bacterie ‘Vibrio Choleraen’. De wordt voornamelijk gekenmerkt door heftige, waterige diarree. Hippocrates was de eerste persoon die het woord cholera uitsprak. Hij noemde het naar de samenvoeging van ‘chole’ (gal) en ‘rein’ (vloeien). Er is ook mogelijks ook verwantschap met de Griekse ‘cholera’, dat (dak)goot betekent en verwijst naar de aard van de ontlasting van cholerapatiënten. Deze ziekte heeft verschillende pandemieën veroorzaakt. De laatste (en zevende) dateert van begin de jaren 60 van vorige eeuw.
Tegenwoordig wordt cholera gezien als een importziekte en komt het niet vaak voor in de Westerse landen. Een groot deel van de personen die door Vibrio Cholerae zijn geïnfecteerd heeft geen symptomen of slecht een milde diarree. Bij gezonde reizigers verloopt de ziekte dan ook meestal mild en zelflimiterend. Het typische klinische beeld van cholera begint met het acuut optreden van braken en grote hoeveelheden waterdunne diarree. Verder wordt de geïnfecteerde ook gediagnostiseerd met buikkrampen. Velen raken na enkele dagen dan ook wel gedehydrateerd. Symptomen hiervan zijn: zwakke of afwezige (snelle) pols, zeer lage bloeddruk, verminderde huidturgor, droge slijmvliezen en diepliggende ogen. In eerste instantie zijn patiënten met cholera helder en alert en hebben ze enkel een dorstig gevoel. Bij toenemen dehydratatie worden ze eerst rusteloos, erna apatisch en eventueel volgt later het bewustzijnsverlies. De incubatieperiode duurt 12 uur tot 5 dagen.
De infectieziekte ‘Cholera’ wordt veroorzaakt door de bacterie ‘Vibrio Choleraen’. De wordt voornamelijk gekenmerkt door heftige, waterige diarree. Hippocrates was de eerste persoon die het woord cholera uitsprak. Hij noemde het naar de samenvoeging van ‘chole’ (gal) en ‘rein’ (vloeien). Er is ook mogelijks ook verwantschap met de Griekse ‘cholera’, dat (dak)goot betekent en verwijst naar de aard van de ontlasting van cholerapatiënten. Deze ziekte heeft verschillende pandemieën veroorzaakt. De laatste (en zevende) dateert van begin de jaren 60 van vorige eeuw.
Tegenwoordig wordt cholera gezien als een importziekte en komt het niet vaak voor in de Westerse landen. Een groot deel van de personen die door Vibrio Cholerae zijn geïnfecteerd heeft geen symptomen of slecht een milde diarree. Bij gezonde reizigers verloopt de ziekte dan ook meestal mild en zelflimiterend. Het typische klinische beeld van cholera begint met het acuut optreden van braken en grote hoeveelheden waterdunne diarree. Verder wordt de geïnfecteerde ook gediagnostiseerd met buikkrampen. Velen raken na enkele dagen dan ook wel gedehydrateerd. Symptomen hiervan zijn: zwakke of afwezige (snelle) pols, zeer lage bloeddruk, verminderde huidturgor, droge slijmvliezen en diepliggende ogen. In eerste instantie zijn patiënten met cholera helder en alert en hebben ze enkel een dorstig gevoel. Bij toenemen dehydratatie worden ze eerst rusteloos, erna apatisch en eventueel volgt later het bewustzijnsverlies. De incubatieperiode duurt 12 uur tot 5 dagen.

De Vibrio Cholerae is afkomstig uit India. Deze besmettelijke ziekte zou zijn oorsprong hebben in een grote epidemie die in 1817 in India uitbrak waarbij achteraf de rivier de Ganges als grote
besmettingshaard werd aangewezen. Het bereikte Europa veertien jaar later, in 1831. Ook in België maakte de ziekte in de 19e eeuw heel wat slachtoffers.
Hoewel er in 1844 al een verband was gelegd tussen cholera en besmet drinkwater, werd dit pas in 1849 voor het eerst in de medische wereld onderkend, door de Britse arts-wetenschapper John Snow. In 1855 werd de tweede versie uitgegeven. Hierin vermeldt men een gedetailleerd onderzoek naar de invloed van besmet water uit een waterpomp op Broadstreet op de epidemie die in 1854 Londen heeft getroffen. Het besluit leek dan ook logisch: mensen die dicht
bij die waterpomp woonden (en hun water daar dus haalden) raakten veel vaker besmet dan elders.
Tijdens de industrialisatie kwamen er in Engeland veel infecties voor. Dit had er mee te maken dat mensen onder heel slechte leefomstandigheden leefden. Er waren geen waterleidingen of rioleringen aanwezig, waardoor de uitwerpselen van mensen en dieren direct in de beerputten terecht kwamen. Wanneer iemand in de familie cholera kreeg, was diarree een logisch gevolg. De diarree veroorzaakte vervolgens de uitdroging. Als men dan nog steeds uit de vieze tonnen of dergelijke dronk, werd men nog zieker, met dikwijls de dood tot gevolg. Pas aan het einde van deze periode liet de Engelse regering waterleidingen en rioleringen aanleggen.
Bronnen:
http://www.who.int/
http://www.rivm.nl/Bibliotheek/Professioneel_Praktisch/Richtlijnen/Infectieziekten/LCI_richtlijnen/LCI_richtlijn_Cholera
http://www.rivm.nl/Zoeken?query=cholera
Recht op onderwijs
Elk kind in België heeft recht op gratis basisonderwijs. Ook secundair en hoger onderwijs moeten betaalbaar blijven. Het onderwijsnet in Vlaanderen is betrekkelijk goed te noemen. Toch hebben sommige kinderen het moeilijk op school omdat hun ouders een andere taal spreken, arm zijn of omdat er thuis veel ruzie is. Ook kinderen met een handicap of kinderen die trager leren hebben soms problemen op school. Elk kind heeft daarom recht op onderwijs op maat, als het kan in het gewoon onderwijs en anders in een aangepaste school. De theorie in de praktijk omzetten blijkt toch een gecompliceerde opdracht te zijn.
Onderwijsdecreet XXI
Op 19 mei 2011 werd er over het Onderwijsdecreet XXI in de Commissie Onderwijs van het Vlaams Parlement gestemd. Dit decreet stelt een wettig verblijf als nieuwe inschrijvingsvoorwaarde voor een opleiding in het volwassenenonderwijs. De nieuwe inschrijvingsvoorwaarde werkt discriminerend en wekt verdere uitsluiting van de meeste kwetsbare groep in België in de hand. Toch meent Samenlevingsopbouw Brussel dat onderwijs een grondrecht is, en wenst dit dan ook gevrijwaard te zien voor iedereen.
Vlaams minister van Onderwijs, Pascal Smet, meent dat de nieuwe inschrijvingsvoorwaarde in het leven geroepen werd omwille van de lange wachtrijen voor de cursussen Nederlandse Tweede Taal. Of die mensen zonder papieren deze wachtlijst veroorzaken, kan niet aangetoond
worden. Eenvoudigweg omdat de verblijfssituatie niet wordt geregistreerd. Bovendien is het een disproportionele maatregel gegeven de beslissing om direct ook geen toegang meer te verschaffen tot eender welke andere CVO-opleiding waar geen enkele sprake is van wachtlijsten. Het gaat om een principiële keuze deze doelgroep uit te sluiten.
De Vlaamse overheid wil hiermee dan ook geen verkeerde indruk wekken door hen de mogelijkheid te geven een opleiding te volgen in functie van hun integratie, conform aan het federaal beleid gericht op vrijwillige of gedwongen terugkeer van mensen zonder wettig verblijf. Samenlevingsopbouw Brussel is echter weinig van overtuigd dat de uitsluiting van het volwassenenonderwijs een effectief middel is om mensen aan te sporen het land te verlaten. Evenmin is het de taak van de sector onderwijs om het falende asiel-en migratiebeleid van de federale overheid op te vangen.
Mensen zonder papieren worden vanaf nu dus systematisch uitgesloten van het opleidingsaanbod van de CVO’s en Basiseducatie. Nochtans is de Nederlandse taal net dé graadmeter voor integratie in onze maatschappij. Vele vinden deze keuze voor de nieuwe inschrijvingsvoorwaarde dan ook discriminerend.
Samenlevingsopbouw Brussel stelt dan ook dat mensen zonder papieren tijdens hun
verblijf in België in staat moeten zijn om hun competenties te ontwikkelen. Indien men in de toekomst alsnog een wettig verblijf zal bekomen, kan dat de integratie enkel maar ten goede komen. Wanneer alle verblijfsmogelijkheden uitgeput zijn, kan de opgedane kennis de professionele en sociale re-integratie in het land van herkomst vergemakkelijken.
Steeds verder doorgevoerde uitsluiting in België zal ook niet leiden tot minder clandestiene migratie zolang de economische en sociale ongelijkheid blijft bestaan. Wel zal de vorming van de onderklasse minimaal zijn, waardoor deze mensen niet of weinig kunnen meedraaien in onze maatschappij, waar misbruik en uitbuiting soms de norm zijn. Tegen deze tendens moet men zich ten allen tijde keren om te vermijden dat we in België afglijden naar toestanden die de migranten ontvlucht zijn.
Bronnen:
http://www.vormen.org/Rechtvaardig/Onderwijs.html
http://www.ond.vlaanderen.be/
http://www.dewereldmorgen.be/artikels/2011/05/18/recht-op-onderwijs-voor-iedereen
Elk kind in België heeft recht op gratis basisonderwijs. Ook secundair en hoger onderwijs moeten betaalbaar blijven. Het onderwijsnet in Vlaanderen is betrekkelijk goed te noemen. Toch hebben sommige kinderen het moeilijk op school omdat hun ouders een andere taal spreken, arm zijn of omdat er thuis veel ruzie is. Ook kinderen met een handicap of kinderen die trager leren hebben soms problemen op school. Elk kind heeft daarom recht op onderwijs op maat, als het kan in het gewoon onderwijs en anders in een aangepaste school. De theorie in de praktijk omzetten blijkt toch een gecompliceerde opdracht te zijn.
Onderwijsdecreet XXI
Op 19 mei 2011 werd er over het Onderwijsdecreet XXI in de Commissie Onderwijs van het Vlaams Parlement gestemd. Dit decreet stelt een wettig verblijf als nieuwe inschrijvingsvoorwaarde voor een opleiding in het volwassenenonderwijs. De nieuwe inschrijvingsvoorwaarde werkt discriminerend en wekt verdere uitsluiting van de meeste kwetsbare groep in België in de hand. Toch meent Samenlevingsopbouw Brussel dat onderwijs een grondrecht is, en wenst dit dan ook gevrijwaard te zien voor iedereen.
Vlaams minister van Onderwijs, Pascal Smet, meent dat de nieuwe inschrijvingsvoorwaarde in het leven geroepen werd omwille van de lange wachtrijen voor de cursussen Nederlandse Tweede Taal. Of die mensen zonder papieren deze wachtlijst veroorzaken, kan niet aangetoond
worden. Eenvoudigweg omdat de verblijfssituatie niet wordt geregistreerd. Bovendien is het een disproportionele maatregel gegeven de beslissing om direct ook geen toegang meer te verschaffen tot eender welke andere CVO-opleiding waar geen enkele sprake is van wachtlijsten. Het gaat om een principiële keuze deze doelgroep uit te sluiten.
De Vlaamse overheid wil hiermee dan ook geen verkeerde indruk wekken door hen de mogelijkheid te geven een opleiding te volgen in functie van hun integratie, conform aan het federaal beleid gericht op vrijwillige of gedwongen terugkeer van mensen zonder wettig verblijf. Samenlevingsopbouw Brussel is echter weinig van overtuigd dat de uitsluiting van het volwassenenonderwijs een effectief middel is om mensen aan te sporen het land te verlaten. Evenmin is het de taak van de sector onderwijs om het falende asiel-en migratiebeleid van de federale overheid op te vangen.
Mensen zonder papieren worden vanaf nu dus systematisch uitgesloten van het opleidingsaanbod van de CVO’s en Basiseducatie. Nochtans is de Nederlandse taal net dé graadmeter voor integratie in onze maatschappij. Vele vinden deze keuze voor de nieuwe inschrijvingsvoorwaarde dan ook discriminerend.
Samenlevingsopbouw Brussel stelt dan ook dat mensen zonder papieren tijdens hun
verblijf in België in staat moeten zijn om hun competenties te ontwikkelen. Indien men in de toekomst alsnog een wettig verblijf zal bekomen, kan dat de integratie enkel maar ten goede komen. Wanneer alle verblijfsmogelijkheden uitgeput zijn, kan de opgedane kennis de professionele en sociale re-integratie in het land van herkomst vergemakkelijken.
Steeds verder doorgevoerde uitsluiting in België zal ook niet leiden tot minder clandestiene migratie zolang de economische en sociale ongelijkheid blijft bestaan. Wel zal de vorming van de onderklasse minimaal zijn, waardoor deze mensen niet of weinig kunnen meedraaien in onze maatschappij, waar misbruik en uitbuiting soms de norm zijn. Tegen deze tendens moet men zich ten allen tijde keren om te vermijden dat we in België afglijden naar toestanden die de migranten ontvlucht zijn.
Bronnen:
http://www.vormen.org/Rechtvaardig/Onderwijs.html
http://www.ond.vlaanderen.be/
http://www.dewereldmorgen.be/artikels/2011/05/18/recht-op-onderwijs-voor-iedereen
Abonneren op:
Posts (Atom)